![]()
|
|
|
Pionier Gent viert honderd jaar sociaal wonen
|
| De Morgen, 16-10-2004
|
|
|
|
Dit weekend viert de Gentse Maatschappij voor de Huisvesting feest in Gent.
Honderd jaar geleden, op 20 oktober 1904 om precies te zijn, zag de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen,
de eerste sociale huisvestingsmaatschappij van Vlaanderen, immers het levenslicht.
|
|
|
|
Dat de bakermat van de sociale huisvesting in Gent ligt, is niet zo toevallig. Halfweg de negentiende eeuw
stond de stad met haar katoen- en metaalnijverheid bekend als het Manchester van het vasteland.
De toevloed van arbeiders was zo groot dat de Gentse burgerij zich toelegde op de speculatie in
arbeiderswoningen, beluiken en huurkazernes, waarbij de kwantiteit van de woningen het haalde van de kwaliteit.
Eind negentiende eeuw woonden zowat 40.000 Gentenaars in deze beluiken met een minimum aan comfort:
minderwaardige materialen, geen isolatie, weinig licht en ruimte, een gemeenschappelijk toilet en vooral geen
hygiëne. De gevolgen lieten zich raden. De ene cholera-epidemie na de andere raasde door de smalle straatjes,
met als eerste slachtoffers de pasgeboren baby’s, kinderen en bejaarden.
|
|
|
|
Om deze epidemieën te bekampen richtte de regering regionale medische commissies op. Een commissierapport uit
1848 stelde onomwonden dat een van de belangrijkste oorzaken van de ongezonde toestand lag in de te smalle
straatjes, die te veel huizen bevatten en verstokt bleven van licht en lucht. Als eerste maatregel liet het
toenmalige Gentse stadsbestuur het rioolstelsel vernieuwen en vroeg het 4e politie om nauwgezet de hygiënische
toestand in de beluiken bij te houden. Prijskampen ‘ter verbetering der werkmanshuizen’ moesten de arbeiders
overhalen meer orde en netheid in hun woningen na te streven. Voor structurele ingrepen was het wachten tot
1866, toen een nieuwe cholera-epidemie een recordaantal slachtoffers eiste in Gent. Maar het overwegend
conservatieve stadsbestuur koos voor afbraak en niet voor de bouw van nieuwe woonwijken. Men vreesde
immers dat zo ‘rode dorpen’ zouden ontstaan, potentiële broeihaarden van protest tegen de Gentse industriëlen.
De opstand bleef echter niet lang uit. In 1886 reageerden de arbeiders met een nooit geziene agressiviteit
tegen de voortdurende daling van hun lonen.
|
|
|
|
'GERIEFLIJKE' WONINGEN
|
|
|
|
Met de steun van de Belgische Werkliedenpartij kregen de arbeiders langzamerhand betere sociale wetten en
groeide bij de overheid het idee om zelf in woningen te voorzien. Op 20 oktober 1904 ontstond zo de Gentsche
Maatschappij der Werkerswoningen, de eerste sociale huisvestings maatschappij van Vlaanderen.
Een jaar later werden de eerste twintig woningen gebouwd in de Wilgenstraat. Die werden verhuurd voor 4,25
frank per week ‘voor eene woning veel gerieflijker dan de gewone huizen der werkende klasse’.
Drie jaar later volgde het eerste sociaal wooncomplex in Vlaanderen: de Cirk in de Zebrastraat.
Het unieke cirkelvormige woonblok telde dertien huizen aan de straatkant met in het midden een brede
doorgang naar een binnentuin omringd door acht huizen en zestig appartementen. Op hygiënisch vlak waren de
woningen vooruitstrevend: behalve over licht en ruimte beschikte elke woning over een eigen koertje en toilet.
Momenteel wordt de Cirk omgebouwd tot een autoluw woonproject.
|
|
|
|
Tweede primeur voor Gent was de rijwoningen in de Prosper Claeysstraat, die in 1913 werd gebouwd door het
Bureel van Weldadigheid, een verre voorloper van het OCMW. Een hele straat werd toen bebouwd met huisjes
speciaal voor bejaarden, een soort serviceflats avant la lettre.
In 1993 verkocht het OCMW de huisjes aan de Maatschappij voor de Huisvesting, die ze renoveerde en er een nieuw
concept introduceerde: jongeren en bejaarden onder één dak huisvesten. 0mdat de bejaarden maar weinig de
bovenverdieping van hun woning gebruikten, besloot de maatschappij telkens twee woningen samen te nemen.
De benedenverdieping is voorzien voor bejaarden en op de bovenste verdiepingen zijn er appartementen voor
jongeren. “We wilden absoluut een concentratie van bejaarden tegengaan”, vertelt Guy Reynebeau, de voorzitter
van de Gentse Maatschappij voor de Huisvesting. “Jong volk brengt leven in de brouwerij en voor de ouderen
heeft het heel wat praktische voordelen. Zo zijn er verschillende jonge bewoners die boodschappen doen voor
de oudere bewoners onder hen.”
|
|
|
|
TUINWIJKEN VERSUS HOOGBOUW
|
|
|
|
Begin jaren twintig waaide het Engelse tuinwijkconcept over naar Vlaanderen. Zo werd in 1922 in de
Lourdesstraat (nu Sint-Bernadettestraat) gestart met de bouw van de 143 woningen waarvan de cottagestiji
verwees naar de Engelse inspiratiebron. De woningen telden vijf kamers en beschikten elk over een tuin,
wat ongezien was voor arbeiderswoningen. De formule sloeg aan, waardoor ook andere sociale
huisvestingsmaatschappijen in het Gentse tuinwijken uit de grond stampten. De tuinwijken hadden echter één
nadeel: ze slokten veel bebouwbare oppervlakte op, wat gezien de hoge woningnood geen efficiënte benutting
van de openbare ruimte betekende. Vooral na de Tweede Wereldoorlog gingen meer en meer stemmen op om hoogbouw
te introduceren in de sociale woningsector. De voordelen waren legio: veel licht, optimaal gebruik van de
publieke ruimte en mogelijkheid tot groen rondom. Vooral de progressieven waren voorstander van hoge torens,
terwijl de christen-democraten eerder voor eengezinswoningen kozen. Voorbeeld van die ideologische twist is
de wijk Malem, een typische tuinwijk met veel groen, waarvan in 1949 de plannen werden gemaakt overeenkomstig
het katholieke ideaal: een dorpse wijk rond de kerktoren met huizen ideaal voor gezinnen.
|
|
|
|
Drie jaar later kreeg de socialistische fractie in het schepencollege de bevoegdheid over huisvesting en die
voerde meteen het progressieve gedachtegoed door: hoogbouw. Zo kon het dat vlak bij de wijk Malem in de
periode 1959-1965 elf flatgebouwen verrezen. Groen kwam er in de vorm van het nabijgelegen recreatiedomein de
Blaarmeersen, een minder individualistische invulling van het concept natuur dan bij de tuinwijken.
Nadien volgden de Rabottorens, de blokken van Nieuw Cent en die aan de Groene Briel. Reynebeau:
“Toen was het modern en progressief om torengebouwen neer te poten, ondertussen is vastgesteld dat het niet
de ideale woonsituatie is. We merken dat er meer samenlevingsproblemen opduiken in de torens dan in de
tuinwijken die we beheren. Te veel mensen wonen er op een te kleine oppervlakte, wat tot spanningen leidt.”
|
|
|
|
VAKANTIEDORP
|
|
|
|
Vooral in de Rabottorens loopt het al eens mis, getuige de vele brandstichtingen die er de voorbije jaren
plaatsvonden. “Momenteel loopt een audit om te kijken wat we kunnen aanvangen met de torens.
Puur als sociale woningbouw zijn ze niet geschikt, maar zo vlakbij het nieuwe justitiepaleis kunnen de torens
misschien wel dienen als kantoorruimte. Renovatie is nodig, maar het is voor ons moeilijk om te investeren
in dat gebouw als je weet dat het woonconcept niet ideaal is.”
|
|
|
|
Tegenhanger van de Rabottorens is het sociaal wooncomplex Hollainhof uit 1999 op het terrein van de
voormalige Hollainkazerne. Architect Willem Jan Neutelings, die ook het winnende ontwerp voor het Muziekforum
tekende, koos er resoluut voor laagbouw en leverde Gent het meest gedurfde bouwproject sinds jaren.
Neutelings liet zich daarbij inspireren door het nabijgelegen begijnhof ter Hoye, door te kiezen voor een
centrale open weide met bomen, één gemeenschappelijke toegang tot het terrein en een lange afsluitmuur
rondom de tuintjes. Reynebeau: “Als je daar binnenkomt, ervaar je bijna een vakantiestemming.
De sfeer is er helemaal anders dan in die torens van metaal en beton. Die richting moeten we uit in de
sociale woningbouw”.
|
|
|
|
Toch wil Reynebeau benadrukken dat sociale huisvesting meer is dan investeren in bakstenen.
“We moeten de totaalomgeving bekijken. Je mag de mooiste woningen hebben met een groot terras en dubbel glas,
maar als de sfeer in de wijk verziekt is, dan is alle sociale cohesie weg.
Daarom hebben we als eerste sociale huisvestingsmaatschappij in Vlaanderen onlangs een eigen maatschappelijk
werker aangenomen. Ons eerste doel blijft de mensen een dak boven het hoofd te bieden, maar dat dak is niets
waard als bewoners die eronder leven niet met elkaar overeenkomen.”
|
|