I
Ter gelegenheid der Wereldtentoonstelling van Gent in 1913, heb ik een historisch overzicht uitgegeven over de werkzaamheden der Gentsche Maatschappij voor Goedkoope Woningen, alsdan genaamd Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, en welke, gesticht zijnde op 20 October 1904, op dat oogenblik slechts negen jaar bestaan telde.
Heden, dat gezegde maatschappij de 25e verjaring harer stichting viert, heeft de Beheerraad mij opdracht gegeven dit historisch overzicht beknopt aan te vullen met de bijzonderste feiten welke het tweede deel van het bestaan van ons organisme kenmerkten ; de Beheerraad is inderdaad van oordeel dat dit tweede tijdperk, onder oogpunt van gelukkige uitslagen, niet min vruchtdragend was als het eerste en dat hij fier een terugblik mag werpen over het verwezenlijkte "Werk" gedurende deze 25 jaren.
II
In het hierboven aangehaald overzicht, heb ik in de eerste plaats de feiten samengevat die tot de stichting onzer maatschappij hebben geleid : de wensch algemeen uitgedrukt in den Gemeenteraad onzer stad de werkmanswoning te zien verbeteren, wat vooral eenen hardnekkigen voorstander vond in het gemeenteraadslid wijlen den heer Pieter De Bruyne; verder de hoogdringendheid eener oplossing aan dit vraagstuk, gezien in verschillende wijken der stad talrijke en meestal zeer slechte werkerswoningen afgebroken en in 't geheel niet vervangen waren, dit ten gevolge der groote werken van openbaar nut verwezenlijkt op initiatief van wijlen den heer Burgemeester Braun ; en eindelijk nog wat eenieder had kunnen vaststellen dat te Gent het bijzonder initiatief in gebreke bleef het noodige getal woningen te bouwen en het dus onontbeerlijk bleek een officieel organisme in de plaats te zien treden.
Ziedaar de voornaamste feiten die den Gemeenteraad op 5 Augustus 1901 er toe deden besluiten eene naamlooze maatschappij te stichten, waarin de Stad en de Openbare Instellingen van Weldadigheid als voornaamste aandeelhouders zouden tusschenkomen. Ze zou voor zending hebben te Gent gezonde woningen voor de werkersbevolking te bouwen en deze zoo goedkoop mogelijk te verhuren zonder dat de aan de aandeelhouders te verdeelen winst ooit de 3 1/2 % zou mogen overtreffen.
Maar drie jaren verliepen nog alvorens tot de uitvoering van het besluit werd overgegaan. Het was inderdaad een zeer stout aandurven op bestuurlijk gebied: Tot nog toe had men eene stad, noch weldadige instellingen, een aandeel zien nemen in eene naamlooze vennootschap en minder nog er eene zien stichten. Eene lange briefwisseling en menigvuldige samenkomsten waren noodig om 'het hooger bestuur tot goedkeuring van het besluit te brengen.
En zoo kwam het dat enkel op_ 20 October 1904 onze huidige maatschappij onder den naam van Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen eindelijk werd gesticht.
Zij werd opgericht met een kapitaal van 500.000 fr., waarvan 200.000 fr. werden onderschreven door de Stad Gent, 100.000 fr. door de Commissie der Burgerlijke Godshuizen, 100.000 fr. door het Weldadigheidsbureel en 100.000 fr. door bijzonderen, namelijk zekere nijveraars en al de alsdan in bediening zijnde gemeenteraadsleden.
Deze nieuwe maatschappij sloeg onmiddellijk de hand aan het werk en bouwde eene eerste reeks van 20 huizen in de Wilgestraat op eenen van de Stad aangekochten grond, huizen welke met alle kosten inbegrepen op 3.578 fr. ieder kwamen en verhuurd werden aan 4.25 fr. per week, dit te beginnen met het einde van het jaar 1905.
In het hiervoren aangehaald document, heb ik vervolgens een geschiedkundig overzicht gegeven der andere woninggroepen door onze Maatschappij opgericht van 1906 tot 1913 ; het zijn de groote blokhuizen met menigvuldige woonvertrekken der Zebrastraat, deze der Violierstraat, en eindelijk de verschillende groepen der Rooigemlaan, der Zonnebloemstraat en der Boomstraat. Wij verwijzen naar dit overzicht voor verdere bijzonderheden.
Ik wil hier enkel herinneren dat, op het oogenblik waarop dit eerste overzicht' verscheen, onze Maatschappij verplicht was geweest haar kapitaal te verdubbelen en het te brengen op 1 miljoen frank ; dat ze reeds op 1 Januari van 't jaar 1913 het aanzienlijk getal van 143 werkmanswoningen had gebouwd, verhuurd van 3 tot 5 fr. per week, en dat ze regelmatig aan hare aandeelhouders een winstaandeel van 3 % uitdeelde.
Ik eindigde bovenvermeld overzicht, door aan te halen dat, in 't begin van 1913, het Officieel Beschermcomiteit der Werkerswoningen te Oostende gelast met het oprichten van eene uitgestrekte volkswijk voor de Oostendsche visschersgezinnen op een grond ter beschikking gesteld door den Belgischen Staat -- te Gent de werkerswoningen onzer maatschappij was komen bezichtigen, waarover het met lof had hooren spreken. Na het bezoek, heeft dit Comiteit bij het afscheid algemeen verklaard dat de lof, die tot hen was doorgedrongen, ver beneden de waarheid stond en dat het vermeende dat het onmogelijk was beter te doen dan de Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, wier gebouwen verdienen als model gesteld te worden voor de steden die de werkmanswoning wenschten te verbeteren.
Terecht was onze Beheerraad fier over dit vleiend oordeel, dat hem aanzette zijn werk verder uit te breiden en te trachten het voortdurend te verbeteren.
Aldus besloot hij reeds bij 't einde van 't jaar 1913 tot het opbouwen van eene nieuwe reeks woningen in de Roggestraat, op eenen grond welke wij aan de vrijgevigheid van de "Société anonyme cotonnière La Nouvelle Orléans" te danken hadden.
Dit schoon voorbeeld aan de nijverheid gegeven door een der bijzonderste firma's vond ongelukkiglijk geene verdere navolgers.
Wellicht te spoedig werd dit vergeten, omdat weinige maanden na deze gifte en terwijl onze huizen voleindigd werden, de oorlog 1914-1918 uitbrak, deze schrikkelijke ontreddering in het sociaal leven der Europeesche volkeren.
Het was inderdaad in vollen oorlog en onder moeilijke omstandigheden dat onze Maatschappij verplicht was de werken te eindigen der twee reeksen huizen die ze had laten bouwen langs de Roggestraat. Deze dubbele verwezenlijking was het einde van wat ons werk aan goedkoope woningen tot stand bracht vóór den oorlog en aldus het getal woningen ter beschikking der werkende klas gesteld op 241 bracht, dit bij middel van een maatschappelijk kapitaal van een miljoen frank, wat neerkomt op ongeveer 4.000 fr. voor ieder dezer woningen.
III
Niettegenstaande al de pogingen welke zij tijdens den oorlog aanwendde om haar werk voort te zetten, werd onze Maatschappij gedurende dit rampspoedig tijdperk daarin volledig belet.
Inderdaad, het meerendeel der materialen ontbraken ofwel, wanneer men er dan op een gegeven oogenblik kon over beschikken, was men altijd blootgesteld ze te zien aanslaan door de bezettende macht voor de noodwendigheden van het leger. Door dit feit dierf zich geen enkele ernstige ondernemer gelasten met een aanzienlijk bouwwerk zooals onze werkmanswoningen er steeds een was, die noodzakelijkerwijze per reeks dienden opgericht te warden ten einde den kostenden prijs van iedere woning niet aanzienlijk te zien vermeerderen.
Langs den anderen kant, was ons kapitaal van een miljoen bijna uitgeput op het oogenblik dat de oorlog in de maand Augustus 1914 uitbrak, en gedurende den ganschen loop van die langdurige ramp kon er geen sprake zijn van nieuwe fondsen te bekomen, daar de openbare machten uitgeput waren door de voortdurende opeischingen der Duitsche overheden en de bijzonderen al niet beter bij kas waren door den volledigen stilstand van de nijverheid en van ieder winstgevend bedrijf.
Het oogenblik ware ten andere slecht gekozen geweest om aan onze met werkloosheid geslagen bevolking eene al ware 't nog zoo geringe huishuur te vragen ; inderdaad gelukten vele bijzondere eigenaars er niet in eenige huishuur van hunne huurders te bekomen. Tot lof der onzen, dient gezegd dat ze gedurende dien treurigen oorlog trachtten toch ten minste een deel der huishuur te betalen, gelukkig gevolg van den gevolgden regel van enkel te verhuren aan eerlijke en van goed gedrag zijnde werklieden.
Ook trokken onze aandeelhouders, zelfs gedurende de jaren 1915, 1916 en 1917 een winstaandeel van 1 per honderd en voor het jaar 1918 een winstaandeel van 2 %, iets eenigs vermeenen wij in de ekonomische geschiedenis van dien tijd, te meer wanneer het gaat om een sociaal werk als het onze.
Alhoewel onze Beheerraad tijdens den oorlog in de onmogelijkheid verkeerde te laten bouwen, bleef hij nochtans niet werkeloos gedurende dit lange tijdvak.
Overtuigd, zooals de feiten het ten ander bevestigd hebben, dat zich onmiddellijk na den oorlog een grooten nood aan nieuwe woningen zou voordoen, bereidde hij' zooveel mogelijk het dringende werk voor waartegenover men bij het einde der vijandelijkheden zou komen te staan.
Insgelijks overtuigd dat nieuwe vooruitgang moest tot stand komen, besloot hij het bouwen van een groot tuinoord, met talrijke alleenstaande huizen en omringd met hovingen, waar de inwoners zich zouden kunnen bezig houden met groenten- en bloemenkweek.
Ten einde dit ontwerp te verwezenlijken, besprak de Beheerraad vanaf Maart 1917 een uitgestrekten grond van zes Hectaren, behoorende aan het Weldadigheidsbureel en prachtig gelegen langs den Zwijnaerdesteenweg, aan de poorten der stad en tevens in vollen buiten. Tezelfdertijd schreef hij eenen grooten wedstrijd uit onder de bouwkundigen onzer stad, voor het oprichten op dezen grond van een tuinoord met het grootst mogelijk getal huizen, omringd met omvangrijke tuinen, betrachtend dit alles een esthetisch uiterlijk te geven.
Het vraagstuk was niet gemakkelijk op te lossen. Het veroorzaakte niettemin een levendigen wedijver onder onze bouwkundigen, meestal zonder bezigheid op dat oogenblik, en het aantal ingezonden ontwerpen was zoo aanzienlijk dat het onzen Beheerraad moeilijk viel den prijs uit te loven. Hij stelde een jury in, samengesteld uit MM. Karel Van Rysselberghe, bouwkundige der Stad Gent,. Coppieters, ondernemer, en Jozef Casier, voorzitter der Commissie van Monumenten der Stad. Deze jury eindigde met als beste ontwerp dit te kiezen van een stadsgenoot, in dien tijd nog zeer jong, M. de bouwkundige J. C. Minnaar. De verschillende ontwerpen werden openbaar tentoon gesteld in het Stadhuis, in den loop van den zomer 1917.
Maar steeds woedde de oorlog en de uitvoering van het bekroonde werk werd uitgesteld tot betere tijden.
IV
Onmiddellijk na den oorlog, ondervond onze Maatschappij dat zijn wensch om de vroegere werkzaamheid te hervatten met niet minder moeilijkheden zou gepaard gaan dan tijdens de vijandelijkheden.
Alhoewel zich in onze stad een groot gemis aan werkmanswoningen liet gevoelen, was het niettemin waar dat de bezorgdheid der openbare overheden bijzonder ging naar den rampspoedigen toestand der verwoeste gewesten, waar alles te herdoen was. De materialen waren zeldzaam en buiten prijs, en de arbeidskrachten, wier loon met den dag verhoogde, werden ook sterk naar het front aangetrokken, waar men kost wat kost moest bouwen.
Onze Maatschappij oordeelde het dan ook geraadzaam nog eenigen tijd te wachten alvorens zijn ontwerp van tuinoord langs den Zwijnaerdesteenweg uit te voeren, daar dit een merkelijk hoogere uitgave zou vergen dan voorzien was in 1917.
Maar de tijd ging snel en de toestand van na den oorlog was ver van te verbeteren. En meteen deed zich te Gent de woningnood voor de werkende klas langs om harder gevoelen.
Een groot aantal huisgezinnen hadden zich onmiddellijk na den wapenstilstand gevormd, en de meesten woonden, bij gebrek aan een huis, op kamers of bij de ouders.
Een of twee kinderen werden ondertusschen geboren en de toestand werd onhoudbaar in de enge woningen waar men zich een of twee jaren te voren tijdelijk had gevestigd.
Er moesten dus zonder uitstel nieuwe woningen gebouwd worden voor de werkende klas, voor wie sinds jaren in 't geheel niets meer werd gebouwd en waaronder talrijke nieuwe families ongeduldig op een woongelegenheid wachtten.
Nochtans, beschikte onze Maatschappij bij den wapenstilstand enkel over een kapitaal van 207.000 fr.
Een eenvoudig huis kostte, reeds bij 't begin van 1919, ten minste 15.000 fr. ; met wat overbleef van ons kapitaal van een miljoen, zouden wij enkel een tiental huizen kunnen bouwen, na den aankoop van den grond. 't Was bitter weinig.
Anderzijds, liet zich de woningnood over gansch België gevoelen, hetgeen aanleiding gaf tot allerlei ontwerpen om daarin te verhelpen ; maar de verwezenlijking was niet zoo gemakkelijk.
In den loop van 1919 echter, was men algemeen van gevoelen dat de regeering zelf ernstig zou moeten ingrijpen om het vraagstuk op te lossen, en met dit doel werd, bij wet van 11 October 1919, de Nationale Maatschappij voor Goedkoope Woningen en Woonvertrekken ingesteld, begiftigd met een kapitaal van 100 miljoen frank, welke bestemd waren om voorschotten te verleenen aan de plaatselijke maatschappijen, zooals de onze, die de gewenschte voorwaarden vervullen om door haar aangenomen te worden.
Maar enkel op 29 April 1920, verscheen het inrichtend koninklijk besluit dat de voorwaarden vaststelde waarin de plaatselijke maatschappijen konden aangenomen worden. Niettegenstaande onze Beheerraad er den meesten spoed bijzette, was het slechts op 24 Februari 1921 dat onze Maatschappij door de Nationale Maatschappij werd aangenomen na vervulling van al de formaliteiten door haar geëischt, onder meer van de benaming aan te nemen van "Gentsche Maatschappij voor Goedkoope Woningen".
Meer dan twee jaren waren alsdan verloopen sedert den wapenstilstand en de woningnood, waarvan hierboven sprake, was tot zijn hoogste punt gekomen.
Ook moest men in de eerste plaats in het dringendste verhelpen. 't Is wat onze Beheerraad ertoe aanzette het oprichten van een tuinoord, dat vooral rekening hield met esthetischen smaak maar belette een bepaalde oppervlakte volledig te bebouwen, tot betere tijden .uit te stellen.
Tijdelijk zag men dus af van het ontwerp van tuinoord op te richten langs den Zwijnaerdesteenweg en men verkoos een uitgestrekten grond van 4 Hectaren aan te koopen gelegen te midden van eene werkerswijk op den hoek van den Brugschesteenweg en de Nettestraat, om er een grooten blok huizen met menigvuldige woonvertrekken op te bouwen, ruim genoeg om er alle slag van gezinnen te kunnen huisvesten.
Onze Beheerraad bekwam dat de Nationale Maatschappij dit ontwerp aanvaardde en ons een leeningsvoorschot van 5 miljoen frank toestond, zij vijf maal het bedrag van ons kapitaal op dat oogenblik : dank zij dien krachtigen steun, konden half 1921 de werken aangevangen en in Augustus 1922 werd tot de inhuldiging overgegaan van het aanzienlijk geheel met gebouwen van twee verdiepen, welke . opgericht is langs den Brugschesteenweg en welke 294 zeer ruime woonvertrekken bevat met ieder 5 bewoonbare plaatsen (totale kosten 4.796.000 fr.).
Deze blok werd verhuurd vanaf de maand October 1922, mits den matigen huurprijs van wekelijks 14 fr. voor de woonvertrekken van het gelijkvloers, die benevens hunne vijf plaatsen nog een lief tuintje bevatten, van 12 fr. per week voor deze van het eerste verdiep en 11 fr. voor deze van het tweede verdiep. Voor de woonvertrekken van het gelijkvloers die tot winkel kunnen dienen werd de huurprijs op 80 fr. per maand vastgesteld.
Al deze woonvertrekken werden onmiddellijk gehuurd, vooral door de talrijke jonge huisgezinnen waarvan hierboven sprake, en welke met een of. twee kinderen in eene enkele kamer of in een woonvertrek met ten hoogste twee plaatsen woonden.
Ongelukkiglijk werden eenige dier woonvertrekken insgelijks verhuurd aan jonge pas gehuwde echtgenooten, welke uit de feiten is het later gebleken - sindsdien zonder kinderen zijn gebleven.
Maar, niettegenstaande de ernstige krachtsinspanning door onze Maatschappij gedaan met ineens 294 woonvertrekken op te bouwen, zag ze zich overstelpt met de talrijke huuraanvragen welke haar toekwamen, zoodat zij slechts aan de oudstingeschrevenen onder hen kon voldoening schenken.
Alhoewel de blok van den Brugschensteenweg pas was ingehuldigd, hervatte ze hare werkzaamheden, gelukte er nogmaals in eenen uitgestrekten grond aan te koopen langs een der andere buitenkanten van de stad, namelijk in de Lourdesstraat gelegen nabij Oostacker, en vanaf de laatste maanden van 1922 ving ze het opbouwen aan van 143 afzonderlijke huizen met hofjes.
Met dit doel nam ze nog eens haar toevlucht tot de Nationale Maatschappij voor geldelijke hulp, maar daar zij haar leeningsvermogen - dat gelijk was aan vijf maal haar kapitaal — had uitgeput, was ze verplicht geweest dit kapitaal te verhoogen en het, in algemeene vergadering van 20 Maart 1922, te brengen op 2.280.000 fr.
Ten gevolge van deze verhooging bekwam ze van de Nationale Maatschappij het noodige leeningsvoorschot van 2.363.000 fr. en einde 1923, werden de 143 huizen der Lourdesstraat - toegewezen aan de samenwerkende maatschappij « De Bouwwerklieden » — voltooid en verhuurd mits 15 fr. per week, omdat bij iedere afzonderlijke woning een hofje was gevoegd. Benevens de aanhangsels had ieder huis 5 woonplaatsen. De winkelhuizen betaalden 80 fr. per maand.
Maar hoe meer huizen wij bouwden, hoe meer er ontbraken.
Inderdaad, bij iedere inhuldiging van eene nieuwe groep, overtrof de aanvraag meer en meer het aantal beschikbare woningen en geen enkele maal was het mogelijk aan iedereen voldoening te schenken. Anderzijds werd het steeds moeilijker gronden te vinden tegen een aannemelijken prijs en tevens uitgestrekt genoeg om in 't groot te bouwen.
Ten einde te kunnen voldoen aan de steeds klimmende vraag naar goedkoope woningen, besloot onze Beheerraad vanaf het einde van 1923 en onmiddellijk na de inhuldiging der huizen van de Lourdesstraat, zonder uitstel aan te vangen met het bouwen van de groote tuinwijk van den Zwijnaardesteenweg ontworpen in 1917 en waarvan de verwezenlijking steeds werd verschoven, rekenende op een daling der prijzen in het bouwvak. De omstandigheden bewezen nochtans dat deze prijzen, ver van te dalen, voortdurend klommen, en wij besloten het werk in aanbesteding te leggen, dank zij eene nieuwe leening toegestaan door de Nationale Maatschappij. Begin 1924 werd het aan den ondernemer M. A. De Vriese toegewezen voor den prijs van 5.180.535 fr.
Maar bij de eigenlijke werken voor het opbouwen van de 241 huizen waaruit de nieuwe groep bestond, kwamen zich nog zeer belangrijke wegenis- en geschiktmakingswerken voegen wat het totaal bedrag voor dit tuinoord op 5.690.000 fr. bracht hetzij 23.600 fr. per woning, terwijl de huizen van den Brugschensteenweg en de Lourdesstraat ons wederzijds maar 16.300 fr. en 16.900 fr. kostten.
Het was eene aanzienlijke verhooging, maar het onvermijdelijk gevolg der voortdurende waardevermindering van den Belgischen frank. Deze belangrijke werken, welke begonnen waren in April 1924, werden slechts voltooid op het eind van 1925, wat voor gevolg had dat wij in Mei 1925 de eerste afgewerkte huizen konden verhuren, en de laatste in November 1925, niettegenstaande het ongeduld onzer kandidaathuurders, waarvan het aantal nogmaals dit der beschikbare woningen ver overtrof.
Voor de 241 huizen opgericht te midden van deze tuinwijk, waren meer dan 700 kandidaat-huurders ingeschreven.
Eene schikking diende getroffen te worden om de twee derden der aanvragen terzijde te leggen.
Na de ondervinding opgedaan op den Brugschensteenweg, waar tal van jonge gezinnen kinderloos bleven, besloot onze Beheerraad al diegene zonder kinderen ter zijde te stellen en in de eerste plaats de voorkeur te geven aan de kroostrijkste gezinnen, vervolgens aan deze met drie en twee kinderen, om eindelijk en in de laatste plaats af te dalen tot deze met een enkel kind.
Derwijze werd voldoening geschonken aan de meest belangwekkende kandidaten en deze waren in voldoend aantal om zonder moeite de 241 huizen te bezetten. Deze werden verhuurd ' aan den prijs van 18 tot 23 fr. per week, volgens hun ligging en schikking, hetzij gemiddeld 20.50 fr. ; de winkels aan 100 en 110 fr. volgens de ligging. Deze prijzen waren merkelijk hooger dan deze gevraagd in de Lourdesstraat en den Brugschensteenweg, maar de bouwwerken waren ook veel duurder dan in laatstgenoemde 'gevallen en daarbij verrechtvaardigde de hoogeraangehaalde waardevermindering van den frank ten volle dezen maatregel.
Zooals het ten andere hierboven reeds aangehaald werd, had men geen moeite aan dezen prijs te verhuren. Het was net alsof te Gent de nood vergrootte en dit niettegenstaande het aanhoudend bouwen; zonderling feit, te meer wanneer men bedenkt dat de bevolking in onze stad niet was gestegen en dat andere maatschappijen zooals de "Foyer Gantois" en de « Goedkoope Werkmanswoning » waren ontstaan en insgelijks een groot aantal nieuwe huizen hadden gebouwd.
Men kan dit feit enkel verklaren door het verlangen der jonge gezinnen met groote loonen zich meer en meer degelijk te huisvesten en ook doordat de bijzonderen geen werkmanswoningen meer bouwden. Dit laatste was het gevolg van de uitzonderingswet op de huishuren, die de inwoners van voor den oorlog toelaat hun huizen aan eenen bespottelijken prijs te bewonen, hetgeen de eigenaars liet vreezen dat zij de nieuw opgetrokken woningen niet loonend zouden kunnen verhuren.
Het is in ieder geval waar dat na de verhuring van al de huizen van den Zwijnaardschensteenweg wij opnieuw werden bestormd door een steeds klimmend aantal kandidaathuurders, zoodanig dat hun getal, dat bij het einde van 1925 700 beliep, tot 830 klom op het einde van 't jaar 1926.
Doch bij de Nationale Maatschappij konden wij echter niets meer ontleend krijgen, ofschoon wij nogmaals ons kapitaal met 470.000 fr. hadden verhoogd door het in de Algemeene Vergadering van 17 Maart 1924 van 2.280.000 op 2.750.000 fr. te brengen.
In dien tijd had de Nationale Maatschappij ons ten andere verwittigd dat het haar, bij gebrek aan geldmiddelen, onmogelijk was ons nieuwe voorschotten te verleenen en ze had ons aangezet onze huizen te verkoopen om met de opbrengst nieuwe bouwwerken op te richten.
Wij wenschten vurig dezen weg op te gaan, maar ook hier rezen verschillende moeilijkheden op.
In de eerste plaats, op de 919 woningen welke wij op dat oogenblik bezaten, waren er maar weinig welke verkoopbaar waren ; er kan inderdaad geen spraak zijn de woonvertrekken van blokhuizen met menigvuldige huisvesting te verkoopen en wat de afzonderlijke huizen van onze twee tuinwijken betreft, wierpen de gebeurlijke liefhebbers ten eersten op dat ze van elkaar enkel door eene haag waren gescheiden, wat hun onvoldoende scheen om hun van de onbescheidenheid der buren te vrijwaren ; ten tweeden waren wij verplicht de tusschenkomst der koppers te bepalen in het onderhoud der wegenis en riolen en in de verlichting der wijk, wat deze die geneigd waren te koopen afschrikte.
Maar wat den kooper bijzonderlijk afwendde, was de prijs welke wij verplicht waren te vragen voor de te koop gestelde huizen.
Ingevolge de onderrichtingen der Nationale Maatschappij, welke ten andere volstrekt logisch waren, moesten wij niet den prijs vragen welke die huizen hadden gekost, maar dezen welken men voor het bouwen eener dergelijke woning zou moeten betalen op het oogenblik van den verkoop ; 't was de eenige manier om de kapitalen voortkomende van den verkoop nuttig te herbruiken, gezien de opbrengst van ieder verkocht huis ons moest toelaten een ander te bouwen.
Aan dien prijs gelukten wij er echter niet in een enkel huis te verkoopen, daar de gebeurlijke aankoopers terugschrikten voor de voorwaarden die wij verplicht waren te stellen.
Inderdaad, niettegenstaande de huizen van den Zwijnaerdesteenweg ons slechts ieder 23.600 fr. hadden gekost, omdat de onderneming der bouwwerken in 't begin van 1924 was afgesloten, zagen wij ons verplicht ze in 1926 aan 30.000 fr. te verkoopen, omdat een dergelijk huis op dat oogenblik zulk eenen prijs zou gekost hebben.
Maar in dien tijd wilde geen enkel liefhebber dergelijken prijs betalen, omdat deze die eene werkmanswoning wenschte te koopen er gemakkelijk eene vond aan veel lageren prijs.
Menige kleine eigenaars van soortgelijke huizen waren verplicht geweest ze te verkoopen, omdat de geringe huishuur die de wet hun toeliet te ontvangen hun blette ze ordentelijk te onderhouden ; alzoo vervielen ze, en liever dan ze volledig te laten vervallen waren de eigenaars ten laatste gedwongen tot verkoop aan lagen prijs. Aldus kon menig werkman zijn huis aankoopen aan 10 à 15.000 fr.
Wel is waar dat deze huizen zich in slechten staat bevonden ; maar hun aankoopers hadden ze spoedig met kleine onkosten in zeer goeden toestand gebracht, daar zij zelf een groot deel der werken uitvoerden.
Het spreekt vanzelf dat in dergelijke omstandigheden de liefhebbers onzer huizen terugdeinsden voor de prijzen welke wij verplicht waren te vragen, vermits zij voor de helft van dien prijs eene zeer goede woning konden bekomen. Wat bewijst hoeveel werklieden zich aldus aan goedkoopen prijs huizen hebben aangekocht, is dat het getal eigenaars welke te Gent 10.474 bedroeg in 1914 tot 18.137 steeg in 1928, en dat voor Groot-Gent het getal van 13.736 in 1914 bijna tot een verdubbeld cijfer van 25.370 klom in 1928.
Daarbij kwam het dat wij geen enkel huis konden verkoopen, niettegenstaande de publiciteit met welke wij ons verkoopsaanbod lieten gepaard gaan. Dit wordt ten andere met den dag moeilijker, gezien wij thans verplicht zijn 40 tot 45.000 fr. voor een huis te vragen, vermits de laatste openbare aanbestedingen hebben bewezen dat de prijs voor de eenvoudigste onzen woningen daarop neerkomt.
Wat er insgelijks toe bijdroeg dat de verkoop onzer huizen niet in den smaak van-'t publiek viel, is dat het onmenschelijk ware geweest te weigeren een ledig komend huis te verhuren aan een der gezinnen welke zich in groat aantal en bij iedere gelegenheid verdrongen om er een te bekomen, omdat ze in zoo beklagenswaardige voorwaarden huisden, en het te verkoopen aan een meer begoeden liefhebber, die bijna altijd honderd maal beter was gehuisvest dan de kandidaathuurders.
Aldus was de toestand te Gent einde 1926. Het is te veron derstellen dat het niet beter ging in andere deelen van België. vermits de wetgever het noodzakelijk vond opnieuw ter hulp te komen van de Nationale Maatschappij voor Goedkoope Woningen, en bij wet, afgekondigd op 22 Juli 1927, de Nationale .Maatschappij toestond een leening uit te geven van 110 miljoen frank, onder waarborg van den Staat, ten einde nieuwe geldvoorschotten te kunnen toestaan aan de aangenomene maatschappijen zooals de onze.
Ten gevolge der stemming van deze wet, liet de Nationale Maatschappij ons weten dat wij konden beschikken over eene nieuwe som van ongeveer 2.946.000 fr.
Het nieuws verheugde ons ten zeerste, en onze Beheerraad legde terstond het bouwen van eene nieuwe woninggroep ter studie, rekening houdend van nieuwe gedachten welke de vrucht waren der ondervinding van de laatste jaren.
In al de gebouwen van na den oorlog, hadden wij het noodig geoordeeld iedere woning te voorzien van vijf woonbare plaatsen : keuken, huiskamer, eene slaapkamer voor de ouders en eene voor de kinderen van ieder geslacht. Deze schikking moest toelaten alle slag van' gezinnen te voldoen.
Zooals wij reeds hooger zagen, leerden wij bij ondervinding dat, tal van jonge huisgezinnen kinderloos bleven, zoodat onze woningen van den Brugschensteenweg en zelfs deze van de Lourdesstraat meestal te groot waren voor het aantal inwoners die er in huisden, wat aan ons doel niet beantwoordde gezien de overgroote prijzen die in tegenwoordigen tijd voor bouwwerken warden gevraagd. Om die reden, werden voor den Zwijnaerdesteenweg van al de gezinnen van twee personen geene notitie genomen, en gezien het groot aantal kroostrijke gezinnen die naar een huisvesting uitzagen, werd in de twee laatste jaren dien zelfden maatregel getroffen in ieder der zeldzame gevallen dat de eene of andere woning in een onzer andere woninggroepen vrij kwam.
En toch waren er onder deze huisgezinnen van twee personen vele die onze belangstelling verdienden :namelijk deze samengesteld uit twee oude alleen gebleven echtgenooten, of een weduwnaar of weduwe samenwonend met een zoon of eene dochter. 't Ware onrechtvaardig geweest deze menschen voor altijd af te wijzen.
De 2.946.000 fr., geleend door de Nationale Maatschappij en die door het voortdurend opslaan der bouwwerken onvoidoende waren om werken van grooten omvang te ondernemen, werden- om bovenvermelde reden besteed tot het oprichten van woningen van 2 en 3 plaatsen, voorbehouden aan deze huisgezinnen van 2 personen maar welke ook konden dienen voor de jonge echtgenooten die maar een enkel kind hadden. Tezelfdertijd hoopten wij door eene lagere huishuur de gezinnen van twee personen aan te lokken die verkeerdelijk onze woonsten van vijf plaatsen. bezetten.
Met dit doel kocht onze Maatschappij in 1927 van de Commissie van Openbaren Onderstand van Gent, mits den zeer geringen prijs van 10 fr. per meter vierkant, een uitgestrekten driekantigen grond, gelegen op den hoek der Violieren Zonnebloemstraten, in de wijk der Brugsche Poort. Ze besloot er een grooten blok te bouwen van 3 verdiepen, met 64 woonplaatsen, waarvan 48 met 2 en 16 met drie vertrekken; dank zij de ligging van dien grond, geven de bijzonderste kamers alien op straat uit, terwijl alleen de keukens en aanhangsels uitkomen op een uitgestrekten binnenkoer.
Dit bouwwerk werd, op 13 Februari 1928, toegewezen aan MM. Rottiers gebroeders voor de som van 1.049.406 fr. De werken vorderden eerst normaal, maar vervolgens vertraagden zij derwijze dat de ondernemer zich liet verrassen door den buitengewonen strengen en langen winter begin 1929, zoodanig dat wij enkel op 15 Juli van dit jaar met het verhuren kondèn aanvangen en dat de laatste woonvertrekken nog niet zijn voltooid op het oogenblik dat wij deze regels neerschrijven.
Maar 64 woonvertrekken was bitter weinig tegenover den voortdurenden toeloop van groote en kleine gezinnen die zich steeds in grooter aantal bij onze Maatschappij lieten inschrijven, en dit niettegenstaande wij ons verplicht gevoelden hun te verwittigen dat ze jarenlang op hun beurt zouden moeten wachten.
In de laatste maanden, bereikte inderdaad het getal ingeschrevenen het aanzienlijk cijfer van 1050 gezinnen, en het getal ledig gekomen woningen bedroeg in 1928 slechts 54 op onze 919 huizen en woonvertrekken. Wat dus zeggen wil dat de woningnood steeds grooter wordt.
Terwijl de 64 woonvertrekken van den hoek der Zonnebloemstraat nog in opbouw waren en nadat wij te vergeefs elders aan eenen aannemelijken prijs naar beschikbare gronden hadden gezocht, besloot onze Beheerraad zonder uitstel nieuwe woonvertrekken op te richten op zekere vrij gebleven ,deelen van ons tuinoord der Lourdesstraat en insgelijks onzen grooten blok der Zebrastraat met een derde verdiep op te trekken. Het is voorzeker het ideaal niet de gezinnen op een derde verdiep te huisvesten maar in deze tijden dient eerst en vooral voor een onderdak te worden gezorgd voor deze die er geen hebben...
Daarom legde onze Beheerraad, vanaf 15 April 1929, het bouwen van 12 afzonderlijke huizen en acht huizen met 24 woonvertrekken in aanbesteding, dit op de onbebouwde gronden der Lourdesstraat, waardoor wij in dat tuinoordweer over 36 nieuwe woningen zouden beschikken, en vanaf 22 April 1929 werd er overgegaan tot het bouwen van 20 woonvertrekken van elk 3 tot 4 plaatsen door het optrekken met een derde verdieping van onzen blok der Zebrastraat.
Deze twee bouwwerken werden toegewezen aan de twee laagste aanbieders, t. t. z.. het eerste aan M. Pycke voor den inteekenprijs bij vooruitbestelling van 1.507.305 fr. en het tweede aan M. Van Renterghem voor den prijs van 589.534 fr.
Deze prijzen, ofschoon zeer hoog, stemden overeen met die van den dag, welke sinds een jaar weer verschrikkelijk waren gestegen. Niettemin komen deze .56 woningen, die nochtans maar uit drie of vier plaatsen bestaan, op 37.443 fr. ieder, enkel aan bouwwerken, daar `de grond onze eigendom was.
Welke huurprijs zullen wij moeten vragen voor die woningen .die op het huidig oogenblik nog in aanbouw zijn ?
De vraag is angstwekkend voor onzen Beheerraad, evenals die der opvolgenlijke verhoogingen van huishuur waartoe de ekonomische omstandigheden ons in de laatste jaren verplichtten.
Onze huizen van voor den oorlog leveren ons geen moeilijkheden op ; deze zijn nog altijd onderworpen aan de opvolgende beperkende huishuurwetten door het Parlement gestemd en hunne huishuren verhoogen automatisch binnen de grenzen door de wetten gesteld.
Maar voor onze woningen van na den oorlog welke wij — steeds ons doel getrouw — zoo goedkoop mogelijk hebben verhuurd, bestaat geen enkele beperkende wet die ons belette de huurprijzen te verhoogen, naarmate de waardevermindering van onzen frank, de bonen en al wat voor het levensgebruik noodig is, deed stijgen.
De verhooging van de huurprijzen drong zich insgelijks op door het voortdurend verhoogen der onderhoudskosten, der leveringen van water en gas ' en bijzonderlijk door het aanhoudend stijgen der grondbelasting, waaraan wij onderworpen zijn net als de andere burgers.
Daaruit sproot voort dat wij vanaf het einde van 1927 verplicht waren de huishuren, vastgesteld sinds 1922 voor den Brugschesteenweg en sinds 1923 voor de Lourdesstraat, met 2 fr. op te slaan, daar de oorspronkelijke huishuren bespottelijk gering waren ten overstaan van den levenstandaard.
Maar weldra moesten wij tot nieuwe verhoogingen overgaan. Onze Beheerraad wilde nochtans in ruime mate rekening houden met de zware lasten wegende op de werkersgezinnen met verschillende kinderen van lagen leeftijd en besloot hunne huishuren niet te verhoogen. Daarentegen besloot hij periodisch over te gaan tot verhooging van -3 fr. per week op 1 Januari 1928, 1 Juli 1928, 1 Januari 1929 en op 1 Juli 1929 voor de huishuren van gezinnen zonder kinderen of welke geen kinderen hadden onder de 16 jaar (loontrekkende) en tot verhooging van 2 fr. per week op zelfde data voor de huishuren der gezinnen met een enkel kind. Na den oorlog bewoonden deze twee reeksen gezinnen in groote meerderheid onze huizen, vermits op 1 Januari 1928, alleen op den Brugschensteenweg, er zich op de 294 woonvertrekken 95 kinderlooze gezinnen bevonden en 106 met een enkel kind, hetzij 201 zonder bijzonder zwaren last.
Deze verhoogingen gingen ten andere door zonder klachten vanwege onze huurders, die zeer goed wisten dat de prijs nog zeer gering was, in vergelijking met wat in de stad moest betaald warden voor het minste woonvertrek.
In 't begin van 1929, met onze laatste verhoogingen inbegrepen, betaalden onze huurders der woonvertrekken met vijf plaatsen van den Brugschensteenweg een huurprijs van 12 tot 25 fr. per week, volgens ligging, verdiep en samenstelling van het huisgezin ; deze der huizen van de Lourdesstraat van 16 tot 25 fr. per week volgens ligging en samenstelling van 't huisgezin, en deze der huizen van den Zwijnaerdesteenweg 19 tot 29 fr. volgens zelfde onderscheid. De winkelhuizen worden verhuurd tusschen de 135 en 155 fr. per maand.
In 't begin van dit jaar, werd van al deze gegevens rekenschap gehouden bij het bepalen der huishuren van onze nieuwe woonvertrekken op den hoek der Zonnebloem- en Violierstraten, welke wij naarmate der voltooiing zullen verhuren.
Er werd besloten deze woonvertrekken 15 tot 31 fr. per week te verhuren, dit volgens het verdiep en het getal plaatsen van ieder (2 of 3) ; welnu op dat oogenblik waren reeds 111 bepaalde aanvragen ingeschreven voor deze 64 woonvertrekken, naast de algemeene vragen om gelijk waar een woning te bekomen.
Daar de woonvertrekken echter enkel konden dienen voor gezinnen van 2 personen of ten hoogste twee personen en een klein kind, en dat er zich anderzijds onder onze 1050 ingeschreven kandidaat-huurders kroostrijke gezinnen bevonden welke erbarmelijk waren gehuisvest zoowel onder hygienisch als moreel oogpunt, besloot onze Beheerraad tezelfdertijd nogmaals de huurprijzen te verhoogen der woonvertrekken met vijf plaatsen welke bezet waren door slechts 2 personen, ten einde ze ertoe te brengen een huisvesting met 2 plaatsen te aanvaarden en alzoo deze met 5 plaatsen ter beschikking van de kroostrijke gezinnen te stellen. 't Is om die reden dat de huurprijzen voor laatstgenoemde woonvertrekken vastgesteld werden op 35 fr. per week te beginnen met 1 Juli 1929 en op 40 fr. per week te beginnen met 1 October 1929, maar enkel voor de huisgezinnen van slechts 2 personen.
Het beoogde doel werd gedeeltelijk bereikt, in dien zin dat een zeker aantal van deze huurders vroegen om over te gaan naar. de woonvertrekken met 2 tot 3 plaatsen der Zonnebloemstraat, maar eenige andere. onder hen teekenden protest aan tegen dien volgens hen onrechtvaardigen opslag, welke zelfs tot in den Gemeenteraad_ werd besproken. Tengevolge van eene vergadering van onzen Beheerraad met eenige afgevaardigden van den Gemeenteraad, werd ten laatste besloten aan al onze oude inwoners zonder kinderen die er in toestemden een woonvertrek met 2 tot 3 plaatsen te betrekken in de nieuwe groepen, eene teruggave toe te staan van 2 fr. per week, dit gedurende 2 jaar, en ten titel van vergoeding voor verhuiskosten.
Daar zekere hovingen der Lourdesstraat nog konden benuttigd worden om te bouwen, besloot onze Beheerraad op 1 Augustus laatstleden, deze groep verder met 12 woonvertrekken aan te vullen, waarvan de bouwwerken werden toevertrouwd aan den ondernemer Pycke, aanbesteder der bijna voltooide andere werken aldaar, en dit mits den bijvoeglijken prijs van 495.811 fr., wat neerkomt op 41.320 fr. per woonvertrek. Deze prijzen warden beslist te hoog, wanneer men de huishuur in acht neemt die van den werkman kan gevergd worden.
Al de bovenvermelde maatregelen zijn natuurlijk noodmaatregelen tijdelijk aangewend om den pijnlijken woningnood die in' onze stad heerscht te bestrijden. In feite, ware het noodig veel meer huizen te bouwen dan het aantal dat onze geldmiddelen en de beschikbare gronden ons toe laten op te richten.
Sinds twee jaren houden wij eenen uitgestrekten grond in 't zicht, welke ons zou toelaten dit doel te bereiken ; maar de eigenaars daarvan bevonden zich tot in de laatste tijden in onverdeeldheid en verstonden zich niet over den te vragen prijs ; daar de boedelscheiding nu geeindigd is, hopen wij wel akkoord te kunnen geraken met den eenigen eigenaar.
Insgelijks hopen wij dat in dit geval de Nationale Maatschappij voor Goedkoope Woningen ons met hare gewone bereidwilligheid zal bijstaan om ons hoogst menschlievend werk te kunnen volledigen, dit door het toestaan van het noodige geldelijk voorschot om eene nieuwe reeks woningen 'te kunnen bouwen nevens de 1051 die wij op het einde van 't jaar zullen bezitten.
V
Den dag zelf der stichting onzer Maatschappij, dit is op 20 October 1904, ging de Algemeene Vergadering over tot het kiezen van den eersten Beheerraad. Werden gekozen : MM. Eugène de Hemptinne, Emiel Coppieters, Jules De Vigne, alle drie gemeenteraadsleden, en MM. Gustave Van Lao, lid van het Weldadigheidsbureel, Kamiel De Bast, lid van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen, Karel Van Rysselberghe, bouwkundige der Stad Gent, en Diomède Vander Haéghen, nijveraar. Werden tot commissaris gekozen : MM. Pieter De Bruyne en Jozef Casier, beide gemeenteraadsleden.
Al deze bedieningen zijn volstrekt kosteloos.
In zijne eerste vergadering, koos de Beheerraad als Voorzitter, M. Jules De Vigne, Schepen van Finantiën der Stad Gent, die in feite de werkelijke ontwerper der nieuwe Maatschappij was geweest en de eerste standregelen had opgesteld. Hij was het ook die het eerst aan de Maatschappij de noodige levenskracht gaf en na de stichting onmiddellijk deed overgaan tot het bouwen der 20 eerste huizen van de Wilgestraat. 't Was nogmaals hij die het te Gent aandierf huizen te bouwen met menigvuldige huisvesting, proef verwezenlijkt in de Zebrastraat, welke, naar men beweerde, zonder twijfel tot eene mislukking moest uitloopen en wat, integendeel, laterhand in menigvuldige soortgelijke gebouwen werd nagevolgd, gezien den bijval der eerste.
Op 't einde van het derde dienstjaar, gaf M. De Vigne ongelukkiglijk zijn ontslag op het zelfde oogenblik dat hij van zijn ambt van Schepen afzag ; hij onderging reeds den invloed der ziekte die hem een jaar nadien wegrukte ; het was voor de Stad Gent het verlies van een uitstekenden burger, die haar uitmuntende diensten had bewezen.
De schrijver dezer lijnen, tot nog toe Schepen van 't Betwistbare, volgde M. De Vigne op als Schepenvan Finantiën en insgelijks als Voorzitter van den Beheerraad onzer Maatschappij, 'dit in Maart 1908.
Tezelfdertijd werd te dien tijde de samenstelling van den Beheerraad enigszins gewijzigd. MM. Eugène de Hemptinne en Diomède Vander Haeghen hadden van hun mandaat van Beheerder afgezien. Zij werden vervangen door MM. Jozef Casier en Gonstant Heynderyckx, en M. Jozef Casier, tot nog toe Commissaris, werd in die hoedanigheid vervangen door M. Karel Marinx.
Later, in Algemeene Vergadering van 18 Maart 1912, zitting waarin het oorspronkelijk kapitaal werd verdubbeld, werd het ontslag aanvaard van M. Gustave Van Loo als Beheerder-vertegenwoordiger van het Weldadigheidsbureel en hij werd vervangen door M. Albert Ceuterick, alsdan Voorzitter van het Weldadigheidsbureel ; MM. Pieter De Bruyne, ontslaggever, en Karel Marinx, overleden, werden als Commissarissen vervangen door MM. Karel Bontinck en Gomar De Vynck.
Andere wijzigingen deden zich nog voor in 1917, jaar tijdens hetwelk M. Ceuterick, gevangen gehouden in Duitschland, werd vervangen als Beheerder door M. Jan De Waele. lid van het Weldadigheidsbureel ; in 1920 werd M. Van Rysselberghe, ontslaggever, vervangen door M. Georges De Smet ; in 1922 werd M. Constant Heynderyckx, ontslaggever, vervangen door M. Frederik Schauvliege, gemeenteraadslid, en in 1923, werd, M. Coppieters, overleden, vervangen door M. Verschraegen, gemeenteraadslid ; in 1925 verving M. Jan Pankoek, M. Bontinck als Commissaris ; in 1926 volgde M. Henri Cooreman, gemeenteraadslid, M. Jozef Casier, overleden, op als Beheerder ; eindelijk, in 1928, werd M. Kamiel De Bast, overleden, vervangen als beheerder door M. Robert Brasseur, nijveraar.
Er valt nog op te merken dat in Algemeene Vergadering van 20 Maart 1922 ons kapitaal voor de derde maal werd verhoogd en gebracht op 2.280.000 fr., dat de oorspronkelijke standregelen werden gewijzigd en het aantal beheerders van 7 op 10 werd gebracht. Te dezer gelegenheid werden drie nieuwe Beheerders gekozen : het waren MM. Aug. Van Iseghem, provinciaal raadslid te Gent, Arthur Vander Linden, lid der Bestendige Afvaardiging van Oost-Vlaanderen, en Jacques Moulin, Beheerder-Bestuurder van de "Société d'Electricité et de Mécanique", te Gent.
Korten tijd na zijn mandaat te hebben ontvangen, overleed ongelukkiglijk M. Van Iseghem, en M. Vander Linden gaf zijn ontslag in 1926 ; hij werd vervangen door M. Ronse, lid der Bestendige Afvaardiging, te Gent.
Onder de Beheerders welke overleden na een langdurig mandaat te hebben vervuld, zijn wij bijzonderen en welverdienden dank verschuldigd aan MM. Jozef Casier, Emiel Coppieters en Kamiel De Bast, die alle drie ernstige diensten bewezen aan ons werk, waaraan zij sinds de stichting met ganscher harte waren gehecht.
De eerste bouwkundige onzer Maatschappij was M. Karel Van Rysselberghe, stadsbouwkundige, die met de lof baarste belangloosheid een plaats van Beheerder aanvaardde en zijn groot talent kosteloos ter beschikking van ons werk' stelde.
Hij is het die de plans opmaakte van onze eerste 'gebouwen der Wilge-, Zebra-, Violierstraten, Rooigemlaan, Boom-, Zonnebloem- en Roggestraten, en die er waarlijk in gelukte aan de meesten dezer woningen een esthetisch uitzicht te geven en tevens de regels van strikte besparing na te leven, dit om den bouwprijs zooveel mogelijk te verminderen en de huizen zoo goedkoop mogelijk te kunnen verhuren.
Hulde zij gebracht aan dien man van verdienste, die onze Maatschappij en de Stad Gent zelf in 1919 verliet om in het zuiden van Frankrijk een welverdiende rust te nemen na een leven van grooten arbeid. Hij genoot ongelukkiglijk maar zeer weinig van deze rust, want in den' loop van 't jaar 1920, kwam de dood hem verrassen te Nice, waar hij zich teruggetrokken had.
Onze Maatschappij zal steeds de dankbare gedachtenis blijven behouden van de uitstekende diensten welke hij ons heeft bewezen.
Na het vertrek van M. Van Rysselberghe, koos onze Beheerraad als bouwkundige M. Oscar Vande Voorde, wier faam sinds lang was gevestigd door zijn talrijke en merkwaardige werken.
M. Vande Voorde begon zijn ambtsbezigheden bij ons door het opmaken der plans van de uitgestrekte groep met 294 woonvertrekken welke wij na den oorlog optrokken langs den Brugschensteenweg en de Nettestraat. 't Is een aanzienlijk werk dat in min dan twee jaar tot een goed einde werd gebracht ; 't was insgelijks de oplossing van een ingewikkeld vraagstuk, vermits op een gegeven oppervlakte het hoogst mogelijk aantal huizen moest gebouwd worden, zonder dat het geheel op eene kazerne geleek maar veeleer een kunstig uitzicht verkreeg, dit alles aan eenen prijs zoo laag alsdat maar vereenbaar was met de gezondheidsregels en het bekomen van een degelijk bouwwerk.
Tot de algemeene voldoening, verwezenlijkte M. Vande Voorde deze verschillende wenschen, en zette zich daarna onmiddellijk aan 't werk om de plans op te maken van het eerste eigenlijk tuinoord dat wij in 1923 bouwden in de Lourdesstraat. Daar kon hij waarlijk zijn talent eens laten zien. Het betrof hier inderdaad afzonderlijke huizen van hofjes omringd, wat hem toeliet aan ieder een keurig uitzicht te geven, wat niet altijd mogelijk is wanneer men verplicht is blokken op te richten met verschillende verdiepen. M. Vande Voorde gelukte erin deze huizen op kleine cottages te, doen gelijken. Het algemeen uitzicht van dit tuinoord der Lourdesstraat is dan ook zeer blij en strekt tot eere van hem die het heeft ontworpen en verwezenlijkt.
Daar onze Maatschappij eindelijk besloten had eindelijk over te gaan tot verwezenlijking van het groot tuinoord van den Zwijnaerdesteenweg, waarvan de plans — opgemaakt in 1917 door den bouwkundigen Minnaar — werden bekroond, verzocht de Beheerraad M. Vande Voorde zich met zijn jongen collega te verstaan om samen die belangrijke onderneming te, verwezenlijken. Dit werd gedaan onder de beste voorwaarden en beide bouwkundigen verdienen onder alle opzicht den besten dank der Maatschappij om dit groot werk tot een goed einde te hebben gebracht.
M. Vande Voorde maakte vervolgens de plans, bestekken en lastkohieren van al onze andere bouwwerken en altijd hadden wij ons te loven over zijne werkzaamheid en over de practische manier waarop hij de ingewikkelde vraagstukken, welke wij verplicht waren hem te onderwerpen, wist op te lossen.
De Maatschappij had insgelijks geluk bij de keuze harer vier Bestuurders-secretarissen die sinds de stichting werden belast met het dagelijksche beheer, in zijne menigvuldige onderdeelen beschouwd, zooals een organisme als het onze er bezit.
't Is eene kiesche, lastige en ondankbare taak die deze ambtenaars te beurt valt, die dagelijks de vragen en klachten der huurders moeten beantwoorden, moeten voorzien in de noodige maar dringende herstellingen, het hoofd moeten bieden aan de soms onrechtvaardige eischen die worden gesteld en bij dit alles bewijs leveren van kalmte, onpartijdigheid en ook een goed overzicht der zaken moeten bezitten.
Onze eerste Bestuurder-secretaris, M. Marchal, had de ontmoedigende taak van bij het ontstaan van ons organisme de dagelijksche werking in te richten ; hij deed het met groote zorg en een verkleefdheid die nooit verminderde en getuigde daarbij van schranderheid.
Bij zijn dood op 12 April 1915, werd hij opgevolgd door M. Leopold Mingneau, die reeds als ontvanger aan onze Maatschappij was gehecht. Hij ook vervulde zijn ambt met vlijt en op een nauwgezette manier; maar, helaas ! hij mocht het enkel gedurende 2 jaar doen, want hij stierf vroegtijdig in 1917.
Zijn opvolger was M. Facq, het model der stipte en verkleefde ambtenaars. De belangen der Maatschappij waren hem zeer dierbaar en hij was eenen uitstekenden medewerker van ons werk.
Eindelijk, bij zijn overlijden in 1924, had onze Beheerraad het geluk aan ons werk M. Jules Bernaert als Bestuurdersecretaris te hechten. Zijn verstandig en tactvol beleid en zijne werkzaamheid staan boven allen lof verheven. Daarvoor danken wij hem hier dan ook openlijk.
Wij moeten ook onze ontvangers bedanken, deze nederige (naar zeer verdienstelijke hulpagenten van ons maatschappelijk werk : zij moeten wekelijks de huishuren ten huize afhalen, met welwillend oor maar op onpartijdige manier de opmerkingen aanhooren, de huurmisbruiken nagaan en mededeelen aan den Bestuurder, en eindelijk een rechtvaardige strengheid aan den dag leggen gepaard met een menschlievend Wij zijn nochtans bijzonderen dank verschuldigd aan M. Jacobs die, naast zijne bediening van Ontvanger, gelast is met de algemeene boekhouding onzer Maatschappij, wat hij met groote zorg en bevoegdheid volbrengt. Jaarlijks wordt hij daarin bijgestaan door onzen verkleefden Commissaris, M. G. De. Vynck, aan wien wij .den korten, maar klaren en practischen vorm onzer bilans sinds jaren danken.
VI
Dit brengt er ons toe deze studie te sluiten met een terugblik te werpen op den zeer aanmoedigenden financieelen toestand van onze Maatschappij.
Deze laatste, zegden wij reeds, werd gesticht met het matig kapitaal van 500.000 fr., vertegenwoordigd door 5.000 aandeelen van 100 fr.
Dit kapitaal werd gebracht op 1 miljoen frank in 1912, tot 2.280.000 in 1922 en tot 2.750.000 fr. in 1924. Dit is ons huidig kapitaal vertegenwoordigd door 27.500 aandeelen van 100 fr. In de twee laatste vermeerderingen van kapitaal zijn de Belgische Staat en de Provincie Oost-Vlaanderen tusschen gekomen, welke nu elk belanghebbend zijn in onze Maatschappij voor 294.000 fr. en ook in onzen Beheerraad vertegenwoordigd zijn.
Ons kapitaal liet ons toe, dank zij de voorschotten daarnaast gedaan door de Nationale Maatschappij voor Goedkoope Woningen, van zeer aanzienlijke gebouwen op te richten, die op 't einde van 't jaar, 1051 afzonderlijke woningen zullen bevatten.
Onder deze eigendommen dient men diegene vóór den oorlog gebouwd te onderscheiden van deze van na den oorlog.
De gebouwen van vóór den oorlog komen nog altijd op onze bilans voor met de prijzen die ze ons in dien tijd hebben gekost, hetzij eene totale waarde van 866.184.95 fr. Welnu, men mag gemakkelijk de vooroorlogsche waarde ten minste met zeven vermenigvuldigen en de tegenwoordige waarde dezer eigendommen gebouwd van 1904 tot 1914 minimum op 6.063.294 fr. schatten, gezien de waardevermindering van onzen frank en gezien al deze woningen min dan 25 jaar oud zijn, met degelijke materialen werden opgetrokken, onder alle opzichten goed werden onderhouden en diensvoIgens hunne waarde hebben behouden.
Wanneer men daaraan toevoegt de waarde van deze na den oorlog gebouwd en die op den bilan 1928 voorkomen voor een gezamenlijke waarde van 13.560.792 fr., dan wanneer de eerste daarvan werden opgericht in 1922 — dus in eenen tijd dat onze frank meer waard was dan nu —, mag men zonder overdrijven zeggen dat ons bezit in onroerende goederen op den huidigen dag minstens 19.624.087 fr. bedraagt.
Wanneer men er de reserven bijvoegt die 723.634 fr. bereiken in zelfden bilan van 1928, komt men tot het totaal bedrag van 20.347.721 fr. als zijnde het actief onzer Naamlooze Vennootschap.
Andere schulden hebben wij niet dan deze aangegaan bij de Nationale Maatschappij voor het bouwen onzer eigendommen. Het volledig bedrag dezer schulden is in den bilan van 1928 voorzien op 13.146.719 fr., zoodat ons zuiver bezit meer dan 7 miljoen bedraagt.
Het spreekt van zelf dat het ons slechts mogelijk was zulke aanzienlijke reserven te verzamelen, zooals wij er thans bezitten, dank zij de schikking onzer standregelen die ons belet een hooger winstaandeel dan 3 1/2 % uit te deelen.
Niettemin moet gezegd worden dat toch altijd, niettegenstaande de moeilijke omstandigheden waarin wij soms na den oorlog verkeerden, dat winstaandeel van 3 1/2 % werd uitgekeerd aan onze aandeelhouders, Staat, Provincie, Stad Gent en bijzonderen, waarin wij verschillen met zooveel andere soortgelijke maatschappijen als de onze die daar niet in gelukten ; en meer nog, zooals wij het reeds vermeldden, hebben wij zelfs tijdens den oorlog een winstaandeel van 1 % uitgedeeld, dan wanneer een groot aantal eigenaars er niet in gelukten een inkomst van hun huurhuizen te trekken. En terzelfdertijd van het uitdeelen dezer winstaandeelen, onderhielden wij onze eigendommen in uiterst goeden staat.
VII
Om deze redenen, meent onze Beheerraad, zooals ik het bij het begin zegde, dat hij met fierheid het verloopen tijdperk van 25 jaar sinds de stichting onzer Maatschappij mag in oogenschouw nemen.
Ook koestert hij de hoop zijn werk met zijne gewone bedrijvigheid te kunnen voortzetten, gezien den bloeienden finantieelen toestand waarin wij ons bevinden.
Hij koestert bijzonderlijk deze hoop omdat hij overtuigd is dat zijn werk meer dan ooit noodzakelijk is, gezien den overgrooten nood aan goedkoope woningen die te Gent heerscht.
Hij meent te mogen rekenen, om zijn werk voort te zetten en te voleindigen, op de werkzame medewerking der Openbare Machten, der Nationale Maatschappij voor Goedkoope Woningen en van al deze onzer medeburgers, die, zooals hij, overtuigd zijn van het overgroot maatschappelijk nut dat eene gezonde, aangename en geriefelijke woning biedt aan de werkers van allen rang. Aan den mensch eenen haard bezorgen welke hij gezellig vindt, is hem wegrukken van de herberg en van alle schadelijke neigingen, 't is hem het familieleven beter laten smaken, van hem eenen goeden vader maken en eenen uitstekenden burger ; en 't is de massa der keurburgers die de keurvolkeren vormen.
Gent, October 1929. Marc BAERTSOEN.
|