![]()
Gentsche maatschappij der werkerswoningen historisch overzicht
Baertsoen, Marc
Gand : Hoste, 1913.
|
originele tekst
|
HISTORISCH OVERZICHT
De Gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, naamlooze maatschappij voor doel hebbende het bouwen en verhuren van goedkoope woningen voor de werkende klas, is gesticht geworden door akt verleden voor M. de notaris Rombaut, te Gent, den 20 October 1904.
De beheerraad dezer maatschappij heeft besloten deel te nemen aan de wederlandsche Wereldtentoonstelling van Gent in 1913, door aan de waardeering van het publiek de plans te onderwerpen van de versehillige groepen werkerswoningen door de maatschappij sinds hare stichting in onze stad opgericht.
Hij heeft gemeend wel te doen met terzelfder tijd in dees boekje een beknopt historisch overzicht der feiten die de stichting der maatschappij voorafgingen, en ook de bekomen uitslagen, voor te stellen.
I
Wanneer de Gemeenteraad van Gent op het einde van 1895 door de eerste toepassing der wet op de evenredige vertegenwoordiging, gansch vernieuwd was en de gekozenen der drie partijen in voeling kwamen, was er een punt waarop alien zich onmiddellijk eensgezind, verklaarden : het was de dringende noodzakelijkheid ten spoedigste te verhelpen in den betreurenswaardigen toestand der werkerswoningen in onze stad.
Het vraagstuk was echter ingewikkeld ; men moest niet alléén de bestaande, slechte woningen doen verdwijnen en zulks niettegenstaande de bijzondere belangen soms zeer aanmerkenswaardig, men moest ook nieuwe woningen bouwen, beter dan de vroegere en niet duurder verhuurd wordende.
De oplossing van dit dubbele vraagstuk was eerre netelige zaak.
Het Schepencollege van dien tijd samengesteld uit de heeren Braun, burgemeester, Bruneel, De Vigne, De Ridder, Boddaert en Baertsoen, schepenen, stelde de studie van dit vraagstuk aan 't hoofd van die welke het meest zijne aandacht vorderde. De heer schepen Bruneel, meer bijzonder gelast met den dienst der openbare gezondheid, deed een volledig onderzoek over de ongezonde beluiken en woningen en stelde radicale middelen voor om ze te doen verdwijnen. Maar hier stootte men zich aan verschillige moeilijkheden : tegenstand der eigenaars, der kleine vooral, in hunne belangen gekrenkt; onmogelijkheid hen behoorlijk te vergoeden zonder eene echte premie te verleenen aan het schandigste winstbejag, weerstand der werklieden meestal onbewust van het gevaar waarin zij leefden en weigerend de goedkoope krotten te verlaten omdat zij elders duurder moesten betalen of te ver van hun werk moesten gaan wonen.
Om die moeilijkheden te keer te gaan, trachtte de heer burgemeester Braun zooveel mogelijk de stooping der beluiken en ongezonde woningen te begrijpen in de grootsche plannen van onteigeningen per strooken waarvan de uitvoering zulk groot deel der stad Gent zoo wel gelukt hervormde. Het is alzoo dat M. Braun zekeren dag in den gemeenteraad verklaarde « het is niet voldoende nieuwe werkerswoningen te bouwen om de oude te doen verlaten, hoe slecht zij ook kunnen zijn ; de eigenaars van deze laatste verminderen alsdan de huurwaarden en vinden altoos huurders. De eigenaars die weinig gezonde woningen afbreken om ze door betere te vervangen, zijn uiterst raar.; 't is eene opoffering welke zij zich in 't algemeen niet opleggen, en indien de stad de slechte wijken niet deed onteigenen, zouden zij blijven bestaan en ook bewoond blijven.
Het College voorgezeten door M. Braun, ondernam alsdan van 1896 tot 1901 eene reeks van groote onteigeningen per strooken die vooral voor doel hadden het verdwijnen van een groot getal stegen en beluiken vol van werkerswoningen in zeer droeven staat. Zoo verdwenen alsdan de Verlorenbroodstraat ; de wijk der Dekstraat bij St-Pietersplein, alwaar de onteigening toeliet 94 woningen af te breken, ingericht in de betreurenswaardigste gezondheidsvoorwaarden ; een groot aantal ongezonde woningen in den wijk van Terplaten de doolhof van verpestende steegjes tusschen de Vrijdagmarkt en de Garenmarkt ; geheel de oude en gevaarvolle wijk der Chartreuzenstraat, enz. enz.
Maar het was niet voldoende de werkerswoningen af te breken welke aan de vereischten der gezondheidsleer niet beantwoorden, men moest de werkersbevolking toelaten zich elders te vestigen.
Zoolang men zich tevreden stelde met van tijd tot tijd een zeker getal te ongezonde woningen te doen verdwijnen, voldeed het bijzonder initiatief om in de vervanging te voorzien.
Maar als het Stadsbestuur bijkans te gelijker tijd gansche wijken op de vier hoeken onzer volkrijke stad deed afbreken en de eigenaars van werkerswoningen dan ook bemerkten dat de Overheid steeds grooter eischen stelde voor de voorwaarden van bewoonbaarheid der werkerswoningen, dan voldeed het bijzonder initiatief niet langer om in de behoeften van nieuwe, betere woningen te voorzien in vervanging van de oude, gevallen onder het houweel der afbrekers.
De werklieden begonnen dan uit te wijken naar de omliggende gemeenten, en ook, wat min aanbevelingswaardig was, hoopten zij zich op in enkele kamers in betreurenswaardig en ordeloos samenwonen.
In de gemeenteraadszittingen werden herhaaldelijk klachten hierover geuit en het duurde niet lang of iedereen was overtuigd dat het vruchteloos was slechte woningen weg te breken indien men niet terzelfdertijd ernstige maatregelen nam om ze in voldoende getallen door betere te vervangen.
Het gemeenteraadslid, M. Pieter De Bruyne nam deze kwestie bijzonder ter herte en kwam er telkens op terug gedurende de jaren 1898 tot 1901. Hij prees ten zeersten de rechtstreeksche tusschenkomst der gemeente aan, zooals zulks gebeurt te Glascow, groote stad, zegde hij, die onbeschroomd deze socialistische baan was ingetreden door het bouwen sedert 1866, van overgroote blokken huizen, soms vier verdiepen hoog, waar de werkersfamiliën van deze volkrijke, nijverige stad meer dan 4,000 woningen vonden, beschutting gevende aan meer dan 14,000 personen.
Zekere gemeenteraadsleden der stad Gent, en aan hun hoofd, de heer schepen De Vigne, waren onbewimpeld vijandig aan die rechtstreeksche tusschenkomst der gemeenteoverheid.
Zij oordeelden dat het niet in de bevoegdheid eener stad viel dat deze zelf huizen zou bouwen om ze aan hare onderhoorigen te verhuren, dat dergelijke tusschenkomst zelfs strijdig was met den geest onzer wetgeving en dat in zake van werkerswoningen, zoo wel als in zake van openbare liefdadigheid, men moest kunnen rekenen op het persoonlijk initiatief wilde men den socialen vooruitgang niet tegenwerken. De openbare machten, voegden zij er bij, moeten alleen in deze zaken tusschenkomen om het persoonlijk initiatief te steunen en het ter hulp te komen wanneer het niet voldoende aan zijne zending beantwoordt.
Maar in deze zaak beweerden een groot gelal gemeenteraadsleden dat het onbetwistbaar was dat in onze stad het persoonlijk initiatief gansch onvolledig zijne zending in zake het bouwen van werkerswoningen, vervulde.
En het is aldus, gezien de onnatuurlijke stand van zaken, dat de gansche gemeenteraad zich eindelijk 't eens stelde om een stelsel van gemengde tusschenkomst aan te nemen : men verwierp het rechtslreeksch bouwen van werkerswoningen door de stad zelf, maar in zitting van 5 Augusti 1901 besloot men tot het stichten eener naamlooze maatschappij voor het bouwen van goedkoope werkerswoningen, maatschappij waarin zouden tusschenkomen : de stad voor twee vijfden, de burgerlijke godshuizen en het Bureel van Weldadigheid ieder voor een vijfde, en bijzonderen voor het overblijvende vijfde. Zooals het Mr de Hemptinne in zijn verslag zegde, de gemeenteraad oordeelde dat het stichten eener maatschappij voor het bouwen van werkerswoningen geen vraagstuk van grondbeginsel opwierp, dat het slechts een feitelijk vraagstuk betrof en dat de tusschenkomst der stad zich alleszins wettigde daar het algemeen gekend was dat in zekere plaatsen der stad het getal woningen ter beschikking van de werkers bevolking gesteld, gansch onvoldoende was. "Te meer, voegde hij er bij, mij dunkt niet dat de bijzondere nijverheid te vreezen heeft van de mededinging der nieuwe maatschappij. Deze moet inderdaad voorzien in de vergelding der kapitalen, die haar zouden toevertrouwd worden; zij moet ook rekening houden van de uitdelging der gebouwen en van de beheerkosten ; de gebouwen zullen moeten in bijzonder verzorgde voorwaarden opgericht worden; de mededinging zal dus ver van ongelijk zijn."
Het stichten der maatschappij, in grondbeginsel gestemd den 5 Augusti 1901, kon echter zoo dadelijk niet verwezenlijkt worden.
Inderdaad, de gemeenteraad had het kapitaal der maatschappij op fr. 500,000 vastgesteld, beslissende dat de stad zou tusschenkomen voor fr. 200.000, de twee weldadigheidsinstellingen, ieder voor fr. 100.000, en de bijzonderen insgelijks voor fr. 100.000.
Wanneer men die verschillige deelnemingen moest bekomen, deden zich moeilijkheden voor. De godshuizen en het Bureel van Weldadigheid die voor de eerste maal aanzocht werden als aandeelhouders deel te nemen aan het oprichten eener naamlooze maatschappij, wierpen verscheidene zwarigheden op. Zij vroegen ten minsten, als voorwaarde hunner inschrijving, dat de stad hen de geheele wederkeering van het onderschreven kapitaal zou waarborgen, voor 't geval de maatschappij zou ontbonden worden, alsook eenen jaarlijkschen intrest van 3 0/, op het gestort kapitaal. Na eene lange bestuurlijke briefwisseling, eindigde de stad met die waarborg toe te stemmen in zitting van 9 Februari 1903. Daarna ontstond de vraag om te weten of de stad zelf niet gemachtigd moest worden door Koninklijk besluit, na advies van de bestendige Deputatie, om te kunnen deelnemen aan het oprichten eener naamlooze maatschappij ; de bestendige Deputatie was van oordeel dat deze machtiging noodig was ; de Minisler van binnenlandsche zaken was van een tegenovergesteld gevoelen en bleef deze beslissing handhaven, niet tegenstaande het advies der bestendige Deputatie, welke eindelijk ook moest toegeven.
Eindelijk, ontmoette de stad eenigen tegenstand bij de bijzonderen welke men als aandeelhebbers in de maatschappij wenschte te zien treden. De heeren De Vigne en Baertsoen, wederzijds schepenen van Finantiën en van het Betwistbare, waren verplicht talrijke voetstappen aan te wenden alvorens de 100.000 fr. bijzondere inschrijvingen te vinden welke de Gemeenteraad gehoopt had van zijne medeburgers te krijgen; die twee leden van het College slaagden er eindelijk in eenige milde toetredingen bij eenige groote nijveraars te vinden, en de maatschappij kon eindelijk op 20 October 1904 ingericht worden, 't is te zeggen meer dan drie jaren na voornoemde stemming van den Gemeenteraad.
De maatschappij waarvan wij hier de geschiedenis opmaken werd gesticht onder den naamloozen vorm, voor doel hebbende het bouwen, koopen, verkoopen en verhuren, in de stad Gent of in de aanpalende gemeenten, van goedkoope woningen bestemd voor de werkersklassen.
Haar eerste kapitaal was vastgesteld op 500.000 fr., verdeeld in 5000 aandeelen van 100 fr. ieder.
De stad Gent schreef in voor 2000 aandeelen, de burgerlijke godshuizen en het Bureel van Weldadigheid ieder voor 1000 aandeelen en de 1000 overige aandeelen werden genomen door 76 bijzondere inschrijvingen, waaronder al de alsdan in bediening zijnde gemeenteraadsleden en eenige medeburgers van goeden wil !
De eerste beheerraad der maatschappij was samengesteld uit de heeren : De Vigne, schepen, als voorzitter, Eugeen de Hemptinne, Emiel Coppieters, Gustaaf Van Loo, Camiel De Bast, Karel Van Rysselberghe en Diomède Vander Haeghen, beheerders; de heeren Pieter De Bruyne en Jozef Casier werden als commissarissen gekozen ; W L. Marchal, onderbureelhoofd op 't stadhuis, werd secretaris-bestuurder benoemd.
II
De nieuw gestichte maatschappij begon hare werkingen in 1905. Zij kocht vooreerst van de stad eenen grond gelegen Wilgestraat, bij de Gazometerslaan, in den volkrijken wijk der Brugschepoort. Zij kocht dezen grond aan den prijs van 10 fr. den vierkanten meter, zonder de kosten.
Een der leden van den beheerraad, de heer Van Rysselberghe, hoofdbouwmeester, stelde geheel belangloos zijne goede, diensten aan de maatschappij voor en gelastte zich onbaatzuchtig met het bestudeeren, opmaken en uitvoeren der plans voor de nieuwe gebouwen welke men ging oprichten op den aangekochten grond in de Wilgestraat. Voegen wij er onmiddellijk bij dat hij sindsdien niet opgehouden heeft, even belangloos, zijn groot talent en zijne diepgrondige kennissen, ten dienste der maatschappij te stellen, waarvan hij sedert acht jaren de verkleefde beheerder is en die hem al de gebouwen meer en meer verbeterd, te danken heeft welke de maatschappij sinds hare stichting heeft opgericht.
De maatschappij, voor haar begin, vermeende niet te mogen afwijken van het "type" werkerswoning tot hiertoe algemeen in Gent aangenomen, 't is te zeggen de geheele woning voor een huisgezin, zooals de Gentsche werkersfamiliën gewoon zijn van ouds af er een te bewonen.
Mr Van Rysselberghe verbeterde deze classieke "type" door iedere huisgevel te versieren met eene soort vooruitspringende "loggia" ; hij richtte het zoo in dat ieder huis vijf bewoonbare plaatsen had, alsook eenen koer, zolder, spijskas en eene kleine bewaarplaats voor kolen; iedere woning werd ook voorzien van een keukenvuur, eenen gazbek in de keuken, een gazkooktoestel, eene kraan voor stadswater en eenen waterbak gevende regenwater onder drukking.
Niettegenstaande deze ernstige verbeteringen kostte ieder der 20 huizen opgericht in 1905 ten hoofde der Wilgestraat slechts 3.578 fr., de gansche blok met den grond 71.558 fr. gekost hebbende, wat toeliet slechts 4.25 fr. als huurwaarde per week le vragen voor eene woning veel gerieflijker dan de gewone huizen der werkende klas.
Ook werden die nieuwe woningen op het einde van 't jaar 1905 onmiddellijk aan dien prijs aan 20 werkersgezinnen verhuurd, waaronder het meerendeel fabriekwerkers, metsers, timmerlieden, mecaniekmaker, bakkersgast, huidevetter, wagenmaker, koperslager, gazwerkman, enz., enz.
In het begin van 1906, vroeg de maatschappij aan den Gemeenteraad, eenen grond te mogen aankoopen, metende 3000 vierkante meters en gelegen op de Akkergemlaan. Zij was zinnens aldaar eene proef te doen door er groote huizen met veelvuldige woningen te bouwen, wat haar zou toegelaten hebben 66 nieuwe woonplaatsen ter beschikking van de werkende klas te stellen.
Maar dit ontwerp kon niet verwezenlijkt worden. De stadsgrond in kwestie was door de stad geraamd op 10 fr. per vierkante meter. De stad hare gronden niet uit der hand kunnende verkoopen, moest men tot de openbare verkooping overgaan. Nu gebeurde dat opbieders de waarde van dezen grond deden stijgen tot eenen prijs ver de beraming van den instelprijs van den Gemeenteraad overtreffende, en die de Maatschappij der Werkerswoningen niet meer toeliet den eigendom aan voordeelige voorwaarden aan te koopen en haar zou verplichten eenen huurprijs aan de bewoners te vragen welke de gematigde cijfers zou overtreffen welke de Maatschappij besloten had te handhaven.
Eene tweede dergelijke poging in den loop van 't jaar 1906 om eenen grooten grond gelegen Grootmeerhemkaai aan te koopen mislukte om dezelfde reden.
De Maatschappij zocht alsdan naar gronden aan bijzonderen toebehoorende, en die uit der hand konden verkocht worden.
Maar het was niet gemakkelijk gronden van dien aard te vinden, goed gelegen en terzelfder tijd aan eenen prijs, genaakbaar voor eene instelling, gedwongen goedkoope woningen in huur te geven.
Het gelukte nochtans onze Maatschappij op het einde van 1906 zich te verstaan met de «Societe immobiliére gantoise», welke uitgestrekte gronden in de oude Muinkmeerschen bezat. Zij verkreeg van gezegde maatschappij eenen grooten blok van 4.145 vierkante meters voor den prijs, kosten inbegrepen van 64.708 fr., zoodat de vierkante meter op 17 fr. werd gebracht.
Om de opoffering in te winnen welke de prijs van den grond haar oplegde, besloot onze maatschappij op de uitgestrekte vlakte welke zij nu verkregen had een groot geheel van gebouwen van verscheidene verdiepingen op te richten. Het uiterlijke van den grond liet toe aan de gebouwen eene cirkelvormige gedaante te geven, met grooten binnenkoer en op iedere verdieping een zeker getal afzonderlijke woonplaatsen in te richten.
Het was de eerste proef voor het bouwen van eenen blok met veelvuldige woningen.
De blok aldus geschapen in de Zebrastraat tusschen de Gustaaf Callierlaan en de St-Lievenslaan maakt eene zeer belangrijke proef uit.
Het bouwen ervan werd aanbesteed door de heeren gebroeders Myncke voor de som van fr. 217.960, moor geheel kostte de eigendom, grond inbegrepen, fr. 327.920. Die blok omvatte vooreerst 13 huizen, waarvan 2 tot winkel ingericht, ten voorhoofde der Zebrastraat. In 't midden dier huizen bevindt zich een breede ingang naar den binnenkoer voornoemd leidende, en toegang gevende tot 8 afgescheiden huizen en tot 10 groote aan elkaar verbonden gebouwen welke ieder zoowel op het gelijkvloers als op ieder der 2 verdiepingen, moeten bevatten : 2 woningen gansch afgescheiden, ieder met verschillige woonkamers, aldus 6 woningen per gebouw of in 't geheel 60 woningen. Met de voor-en achterhuizen telt deze blok 81 geheel afzonderlijke woningen.
Het plan van deze uitgestrekte gebouwen, geheel nieuw in Gent, hebben wij weer te danken aan W Van Rysselberghe, die voor zijn proefstuk in dees geval zekerlijk een meesterstuk gemaakt heeft. Het kwam er inderdaad op aan verschillige klippen le vermijden : dit groot gebouw mocht het uiterlijke niet hebben van eene kazern, en nochtans mocht zijn bouwtrant de kosten niet te veel verhoogen; al de woningen moesten wel afgescheiden zijn ten einde de vermenging der huisgezinnen te vermijden welke men zoo dikwijls aan dergelijke gebouwen verwijt en nochtans om de kosten te sparen mocht men de verschillige toegangen niet te veel vermenig vuldigen ; eindelijk moesten de woningen goed verlicht en goed verlucht zijn, iedere woning moest, zelfs op de bovenste verdiepingen, zijn eigen koerke hebben, zijn water-closet, zijn schotelhuis, gemakkelijk de keukenafval kunnen doen verdwijnen en bij dit alles moest de ruimte gespaard worden ne moest men binnen de enge grenzen blijven welke eene goed begrepen spaarzaamheid verplicht in acht te nemen bij het bouwen van goedkoope woningen. Netelig vraagstuk !
Mr Van Rysselberghe gelukte erin het op te lossen derwijze dat de moeilijksten bevredigd waren. De 13 voorhuizen in de Zebrastraat en de 8 dergelijke huizen staande rechts en links van den ingang van den middenkoer zijn afzonderlijke woningen voor welstellende werklieden, en deze woningen leverden geene groote moeilijkheden op. Maar de 60 woningen van den grooten cirkelvormigen blok rond den koer, eischsten ernstige studiën en het was dank aan de grondige wetenschap van den uitstekenden bouwmeester, die er de plans van opmaakte, dat ieder van die woningen aan het programma beantwoordde, hierboven aangeduid. Ziehier hoe W Van Rysselberghe dit programma verwezenlijkte : zooals bij het begin gezegd is, werd de gansche cirkelvormige blok verdeeld in 10 groote aanpalende gebouwen, ieder dezer als een afzonderlijk huis van 2 verdiepingen uitmakende, voorzien van een enkele steenen trap tot op het tweede opklimmende en voorzien langs eiken kant van dien trap, zoowel op het gelijkvloers als op de twee verdiepingen, van eene ingangdeur, toegang verleenende tot eene volledige woning. Zoo heeft iedere woning, zoowel op de verdiepingen als op het gelijkvloers, eenen bijzonderen ingang welke ze ganschelijk afzondert van de andere woningen van den blok en is er geene immenging mogelijk tusschen de verschillige huisgezinnen welke zulk huis bewonen al zoo min als tusschen de huisgezinnen een zelfde werkersbeluik bewonende (zie plan, achter Vlaamsche tekst).
Mr Van Rysselberghe gelukte er vervolgens aan ieder van deze 60 verschillige woningen alle gewenschte gemakken te geven, te weten drie woonkamers, ieder van 3 m. tot 3.50 breedte op 4 m. tot 4.70 lengte, eene kleine keuken met gazevuur, een balkon-terras waarde huisvrouw kan wasschen, een water-closet, een klein afdak voor de kolen, en eene opening in eene welverluchte schouw, in welke de keuken afval geworpen wordt. Deze valt in eenen gemetselden bak en wordt dagelijks door den openbaren vuilnisdienst geledigd. ledere woning is voorzien van stadswater en regenwater onder drukking.
Om de steenen trappen leidende naar de verschillige woningen te verlichten, maakte W Van Rysselberghe vooruit springende loggias, welke er veel bij toebrachten om de uitgestrekte roodsteenen gèvels van den middenkoer, te veraangenamen.
De cirkelvorm van dezen koer laat aan de zon toe, bij haren dagelijkschen omloop, opvolgentlijk alle woningen te verlichten en te verwarmen ; al deze woningen zijn zeer klaar, goed verlicht en van luchtgaten voorzien.
Onder alle oogpunten dus schiep W Van Rysselberghe een gewrocht allen lof waardig en welk door iedereen bij de inhuldiging der gebouwen, den 20 September 1908, ten zeerste bewonderd werd.
Maar wat nog heter dan al de loftuitingen getuigt van de degelijkheid van het nieuw gewrocht en hoe hoog het bij de werkende klas geschat wordt, is het feit dat eenige maanden na de inhuldiging, dus einde 1908, al de woningen van den cirk der Zebrastraat, zooals de blok in de volkstaal genoemd wordt, zonder eenige uitzondering verhuurd waren en het tot op heden gebleven zijn !
De huurprijzen waren door den Beheerraad aldus vastgegesteld : de twee winkels aan den ingang in de Zebrastraat, ieder aan fr. 40 per maand, de andere huizen in de Zebrastraat aan 7 of 8 fr. per week, volgens grootte, de 8 huizen op den grooten koer aan 5 fr. of 5.75 fr. volgens grootte en eindelijk de prijs der woningen per verdiepingen werd vastgesteld en rekening werd hierbij gehouden van de bijzondere voordeelen welke de verschillige verdiepingen opleverden ; de beheerraad oordeelde dat de woningen der eerste verdieping de meeste behaaglijkheden en gemakken aanboden en besloot ze 4 fr. per week te verhuren ; die van het gelijkvloers, ofschoon met rechtstreekschen toegang, hadden eene gelijkliggende kamer met den binnenkoer en de geruchten er van konden een weinig ongemak bijbrengen, hierom werd de prijs verlaagd tot op fr. 3.75 per week; eindelijk de woningen der tweede verdieping werden enkellijk aan 3 fr. per week verhuurd, niettegenstaande zij geheel en al langs binnen dezelfde gemakken opleverden als de anderen.
Hierbij hebben wij een feit vastgesteld dat wel bewijst dat onze werkersbevolking vooral den goedkoop in onze woningen zoekt, want al die van de tweede verdieping waren het eerst verhuurd, dan die van het gelijkvloers en eindelijk die der eerste verdieping, niettegenstaande het de aangenaamste zijn.
Niettemin het feit dat al de woningen van dezen blok opvolgentlijk in' zoo korten tijd verhuurd waren, en dat ze nooit, bij verhuizing om de eene of andere reden, er eene ledig blijft, bewijst genoegzaam dat de voorspellingen van hen die beweerden dat onze werkersbevolking er nooit zou in toestemmen dergelijke woningen te betrekken, volkomen mis waren.
Die woningen zijn standvastig ingenomen door fabriek werkers, timmerlieden, schilders, kleermakers, metaalbewerkers, trambedienden, enz.
De beheerraad zag dan ook dat hij den goeden weg was opgegaan en besloot hierin te volharden.
III
Gedurende het oprichten van dit uitgestrekt gebouw der Zebrastraat, wezenlijke stoutmoedige proef in onze stad, deed zich eene belangrijke verandering voor in het beheer onzer Maatschappij.
Op het einde van 1907 gaf W De Vigne, die zoo machtig had bijgedragen tot het stichten der maatschappij, en die zijn eerste Voorzitter was, zijn ontslag als Schepen en terzelfder tijd als Voorzitter; al de dringende voetstappen aangewend om hem op zijn besluit te doen terugkomen, bleven vruchteloos en hij volhardde in zijn besluit om eindelijk eene duur verworven rust te genieten. Mr Diomède Vander Haeghen, een der drie of vier groote nijveraars die ons werk bij het begin zoo milddadig ondersteunden, gaf zijn ontslag als beheerder der maatschappij terzelfder als Mr De Vigne afzag van zijn ambt als voorzitter.
Mr Marc Baertsoen, oud Schepen van het betwistbare en die Mr De Vigne als Schepen van financien had opgevolgd, werd lid van den beheerraad gekozen en vervolgens als voorzitter in vervanging van Mr De Vigne.
Mr Constant Heynderyckx, advocaat en gemeenteraadslid, werd als lid van den beheerraad gekozen in vervanging van Mr Diomède Vander Haeghen.
Mr Eugeen de Hemptinne, die zijn ontslag gegeven had gedurende het eerste jaar van werking der maatschappij was als beheerder der maatschappij vervangen geworden door W Jozef Casier, alsdan commissaris, en deze werd in die hoedanigheid vervangen door Mr Karel Marinx.
In het begin van 1908 werd de beheerraad der maatschappij dus in grooten deele vernieuwd en voortaan samengesteld als volgt: MM. Marc Baertsoen, Voorzitter, Camiel De Bast, Ondervoorzitter, Emiel Coppieters, Gust. Van Loo, Jozef Casier, Karel Van Rysselberghe en Const. Heynderyckx, leden; MM. Pieter De Bruyne en Karel Marinx, commissarissen; Mr L. Marchal, secretaris-bestuurder.
Het was deze raad welke na voltrekking en inhuldiging van den grooten blok met woningen per verdiepingen van de Zebrastraat, besloot, gezien den bijval van deze poging, dat men klaarblijkelijk nieuwe woningen in denzelfden zin in andere wijken van de stad, moest oprichten.
Maar deze raad stootte insgelijks op de moeilijkheid om gronden aan voordeelige prijzen aan te koopen; de scherpe mededinging die de bijzonderen de maatschappij aandeden, telkens er eenen grond van de stad in openbare verkooping gesteld werd, verplichte de maatschappij zich opnieuw tot bijzonderen te wenden die er in toestemden uit ter hand te verkoopen, en na lange opzoekingen gelukte de maatschappij ' er in eenen grooten eigendom van 2148 vierkante meters, gelegen groote en kleine Bellevuestraat, in den volkrijken wijk van Akkergem, aan te koopen.
De koop werd gesloten in April 1909 aan den prijs van 41.824 fr., kosten inbegrepen. Een deel van dezen eigendom werd vervolgens voortverkocht, zoodat er eenen te benuttigen grond, gelegen Kleine Bellevuestraat, waarde fr. 28,475, over bleef.
Maar hier ontmoette de beheerraad moeilijkheden, welke, ofschoon hoegenaamd niet zijne schuld, toch het spijtige gevolg had het oprichten van nieuwe gebouwen, welke hij zoo vurig wenschte voorttezetten, eenen langen tijd te vertragen.
Wanneer Mr Van Rysselberghe, met zijne gewone beminnelijkheid, de plans opgemaakt had van den nieuwen ontworpen blok werkerswoningen en de beheerraad deze plannen aan het alsdan bestaande College onderworpen had, ten einde de rooiing en de toelating tot bouwen te verkrijgen, was onze maatschappij zeer verwonderd van dat College eenen brief te ontvangen haar berichtende dat de stad besloten had de Kleine Bellevuestraat te verbreeden, dat om dat werk te doen een deel der gronden door de maatschappij aangekocht, bij den openbaren weg zou vereenigd worden en bijgevolg dat het noodig was de reeds opgemaakte plannen geheel te veranderen. Behalve dat deze verandering zeer moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk was, zonder de gelukkige schikkingen die Mr Van Rysselberghe aan de ontworpen gebouwen gegeven had, geheel te verijdelen, moet hierbij opgemerkt worden dat de verbreeding der Kleine Bellevuestraat, door den brief van het College aangekondigd, alsdan hoegenaamd niet door den Gemeenteraad gestemd was; welnu, dat ontwerp van verbreeding welke voor doel had eene gemakkelijkere verbinding tusschen het Center der Stad en den wijk van Akkergem te verwezenlijken, gaf aanleiding tot zulke langdurige beraadslagingen dat onze maatschappij, vermoeid van de mogelijkheid aftewachten hare plannen voor het bouwen in die straat te zien goedkeuren, eindigde met naar middels om te zien om zich van de aldaar gekochte gronden te ontmaken om er elders andere te koopen waar zij beter hare wenschen zou kunnen verwezenlijken.
De maatschappij eindigde met het met de Stad eens te worden voor eene verwisseling van haren eigendom der Kleine Bellevuestraat tegen stadsgronden gelegen Roygemlaan en aanpalende straten te samen geschat op 28.411 fr.
Maar hier was nu de tusschenkomst van den Gemeenteraad noodig om dit ontwerp van verwisseling te stemmen, stemming die eindelijk den 30 Januari 1911 van den Gemeenteraad verkregen werd.
Zoo waren twee jaren onderhandelingen, voetstappen en briefwisselingen noodig opdat onze maatschappij haren wensch zou kunnen verwezentlijken om het zoo gelukkig in de Zebrastraat begonnen werk voort te zetten.
De Maatschappij bezat eindelijk in den wijk Roygem, dichtbij de groote werkhuizen van het voorgeborchte der Brugsche poort, een totaal van gronden metende in 't geheel 2760 vierkante meters, gelegen Roygemlaan, Violierstraat, Boomstraat, en Zonnebloemstraat. Deze gronden werden haar afgestaan aan den middenprijs van 10.25 fr. den vierkanten meter. (De duursten aan 14 fr., de minstdure aan S fr. per vierkante meter.)
Mr Van Rysselberghe stelde zich weer onmiddellijk aan 't werk en begon de plannen op te maken van een sierlijke reeks gebouwen met woonhuizen per verdiepingen, in de Violierstraat op te richten. De grond boodt er eene schoone rechthoekige oppervlakte aan, van 72 meters langs de straat op 16 meters diepte. W Van Rysselberghe benuttigde hem op de meest schrandere wijze en richte er zooals in de Zebrastraat 7 groote samengevoegde gebouwen met 2 verdiepingen op. Ieder gebouw bevat langs weerskanten van den gemeenen trap, 6 volledige woningen dus voor de 7 vereenigde gebouwen 42 verschillende woningen.
Mr Van Rysselberghe altijd verlangende nieuwen vooruitgang te verwezenlijken, maakte zich de voordeelige schikking van den grond te nutte om in de Violierstraat aan iedere woning, in plaats van 3 gelijk in de Zebrastraat, vier woonkamers te geven en dan ook nog gelijk in de Zebrastraat, eene kleine keuken met gazevuur en schotelhuis, stadswater en regenwater onder drukking, een water-closet, eene opening in de trekschouw welke de keukenafval naar beneden laat glijden waar zij door den vuilnisdienst dagelijks weggehaald wordt; iedere woning van het gelijkvloers moest eenen koer hebben van 8.50 m. lengte op 2 m. breedte, als middencijfer, en de woningen op de verdiepingen zouden een balkon-terras hebben gelijk de woningen der Zebrastraat (zie het plan, achter Vlaamsche tekst).
Die gebouwen, aldus opgevat en behoorlijk door den Beheerraad goedgekeurd in zitting van 22 Mei 1911, werden in openbare aanbesteding gesteld, en de uitvoering er van werd toevertrouwd aan den laagsten bieder W Achiel De Meyer, aannemer te S'-Amandsberg, voor den prijs van 101.975 fr. De aannemer begon de werken in de maand Augustus 1911 en voleindigde ze in de maand Juli 1912.
De werkerswoningen der Violierstraat kostten in 't geheel, met inbegrip van de gronden de voleindingswerken (water en gazleidingen, voetpaden, schilderwerken, enz.) de globale som van 126.314 fr.
Zij werden plechtig ingehuldigd door den beheerraad, in tegenwoordigheid der gebuurtedekenijen, op 17 Juli 1912, ter gelegenheid der jaarlijksche stadskermis.
Het uitzicht er van werd als heel lachend geoordeeld, versierd zooals zij het waren door eene fries in bloei staande afhangende bloemen, neervallende uit kisten welke al de vensters van de tweede verdieping versieren.
De bijval was zeer levendig en de woningen werden nog eens zeer rap verhuurd.
De huurprijzen werden vastgesteld op 4 fr. per week voor de woningen van het gelijkvloers, 3.75 fr. voor die der 2' verdieping en op 3.65 fr. voor die van de 3' verdieping, welke echter op 3.50 fr. kon verminderd worden bij den goeden onderhoud van de bloeiende planten welke de vensters en de vensterpijlers versieren (zulks om aan de werkersgezinnen te keren hunne woningen op te vroolijken, bij middel van goed verzorgde bloemen).
IV
De blok woningen der Violierstraat had de laatste beschikbare gelden van het oorspronkelijk kapitaal van 500.000 fr. doen verdwijnen. De beheerraad moest er aan denken zich nieuwe hulpmiddelen aan te schaffen en om dat te doen, be sliste het kapitaal te verdubbelen en op 1 millioen te brengen.
Hij richte zich tot dezelfde inschrijvers welke de Maatschapij gesticht hadden en had het geluk de groote meerderheid er van aan zijnen oproep te zien beantwoorden. De Stad stemde er in toe nogmaals voor 200,000 fr. tusschen te komen, de burgerlijke Godshuizen en het bureel van Weldadigheid brachten ieder 100,000 fr. bij (de Godshuizen zich alleenlijk voorbehoudende ze te kwijten door vier jaarlijksche betalingen van 25,000 fr. ieder). De bijzondere inschrijvers vernieuwden voor het grootste deel hunne oorspronkelijke inteekening; zoo eenigen om de een of andere reden zich onthielden, eenige persoonlijke voetstappen brachten ons nieuwe aan hangers bij, wat het voordeel had het aantal onzer medeburgers welke sympathetisch belang stellen in ons werk, te vermeerderen.
Het kapitaal van 500,000 fr. werd dus in algemeene vergadering van 18 Maart 1912 op 1 millioen gebracht en dit nieuwe kapitaal werd geheel en al ingeschreven door de stad Gent, de liefdadige instellingen en de bijzonderen verschijnende bij 't opmaken van den akt.
De beheerraad welke zich had moeten onderwerpen aan het verlies van een zijner bevoegdste leden door het aanvaarden van het ontslag van M. Gust. Van Loo, werd volledigd in dezelfde vergadering door de kiezing als beheerder van M. Albert Ceuterick, advocaat en Voorzitter van het Bureel van Weldadigheid.
Het vorige jaar waren M. Pieter De Bruyne, ontslagger en M. Karel Marinx, overleden, als commissarissen vervangen geworden door de heeren Karel Bontinck en Gommaar De Vynck.
Onmiddellijk na deze algemeene vergadering van 18 Maart 1912, besloot de beheerraad de nieuwe beschikbare gelden te besteden voor het oprichten van nieuwe reeksen gebouwen met woningen per verdiepingen op aan de Maatschappij nog toebehoorende gronden op de Roygemlaan, Boomstraat en Zonnebloemstraat.
Deze maal verzocht men W Van Rysselberghe zijne op te maken plannen aldus te schikken dat bij het oprichten dezer gebouwen, zoo dicht gelegen bij de reeds bewoonde van de Violierstraat, woningen zouden ingericht worden gedeeltelijk met twee woonkamers, gedeeltelijk met drie en vier woonkamers van dien aard.
Inderdaad, zoo een groot getal werkersgezinnen bestaat uit de ouders en verscheidene kinderen van de twee geslachten aan welke men afzonderlijke kamers moet geven. zoo bestaan er ook vele gezinnen zonder kinders, of maar kleine kinderen hebbende, of ook kinderen van een zelfde geslacht, en dan is het zeer onnoodig aan deze laatste gezinnen woningen met 2 en 3 slaapkamers aan te bieden. Het is hen tevergeefs een huurgeld opleggen hooger dan dat zij redelijker wijze zouden moeten betalen om ook met zooveel gemakken gehuisvest te zijn.
Bij het opmaken der nieuwe plans heeft Mr Van Rysselberghe hiervan rekening gehouden en benevens nog talrijke verbeteringen heeft hij goed gebruik gemaakt van de aaneenpalende gronden der Boomstraat en Roygemlaan, zoodat hij verkregen heeft: 5 groepen woningen van 2 plaatsen ieder, 4 groepen met 3 plaatsen, 4 groepen met 4 plaatsen en 1 groep met 5 afzonderlijke plaatsen. Men heeft er ook winkels voorzien, onontbeerlijk in eenen werkerswijk.
Het geheel der woningen voorzien in de gebouwen, welke men nu opricht Roygemlaan, Boomstraat en Zonnebloemstraat bevat 4 winkels, 27 woningen met 2 woonkamers (buiten de gewone bijhoorigheden), 21 woningen met 3 woonkamers, 14 woningen met 4 woonkamers, dus een totaal van 66 woningen (zie het plan, achter Vlaamsche tekst).
Er is beslist geworden dat de jonge gezinnen woningen met 2 woonkamers mogen innemen zoolang geen hunner kinderen meer dan 5 jaar oud is ; ouder geworden, zijn zij verplicht woningen met 3 of 4 kamers te nemen.
Even als voor al de gebouwen door de Maatschappij reeds opgericht, is het strengelijk verboden drank te verkoopen, zelfs in de winkels.
Mr Van Rysselberghe is er in gelukt aan deze nieuwe groepen eenen nog bevalliger bouwkunstigen aanblik te geven dan aan de voorgaande groepen, hun het uitzicht gevende van echte Villas, zonder nochtans in onnoodige pracht te vervallen en slechts de onontbeerlijkste materialen benuttigende. Hij heeft bijzonder gezorgd voor de verlichting en de luchtverversching en er ook gezorgd voor al de gemakken der huishoudsters met de kleinste hoeken te benuttigen voor kasten en ingemaakte kassen.
Wij hebben deze gebouwen in aanbesteding gelegd en het zijn de heeren Van Herrewege en De Wilde, aannemers, die aanbesteders werden voor den globalen prijs van 172,207 fr. Daar de grond 16,481 fr. kost, wordt de gezamenlijke prijs (niet inbegrepen de gewone bijvoeglijke werken) 288,628 fr. De aanbesteding had plaats den P Maart 1913.
MM. Van Herrewege en De Wilde bespoedigen ten zeerste hunne werken, zoodat wij hopen deze nieuwe woningen in de aanstaande maand September in te huldigen.
V
Over eenige maanden had onze beheerraad de eer het officieel beschermingscomiteit der werkerswoningen van het arrondissement Oostende te ontvangen, in onze stad gekomen om de werkerswoningen te bezoeken.
Dit officieel Comiteit, voorgezeten door W Roger, Voorzitter der handelsrechtbank van Oostende, en bijgestaan door Mr Verraert, Ingenieur der stad Oostende, is gelast een uitgestrekte werkerswijk te scheppen voor de Oostendsche visschersgezinnen, tegenwoordig gehuisvest op betreurenswaardige wijze in kamers, tot zeer hooge prijzen verhuurd en volstrekt onvoldoende voor het aantal bewoners. De belgische Staat eenen uitgestrekten grond aan de nieuwe haven ter beschikking van dit Comiteit gesteld hebbende, moest het de best mogelijke type vaststellen voor de gebouwen aldaar op te richten.
Het Oostendsch Comiteit, van onze wonigen met lof hebbende hooren spreken, kwam naar Gent om ze te bezichtigen.
Maar toen wij hen tot in de minste bijzonderheden onze verschillende soorten van woningen in de Wilgestraat, Zebrastraat en Violierstraat getoond hadden, hebben zij ons algemeen verklaard dat de loftuigingen, waarvan de nagalm tot hen was gekomen, nog ver beneden de waarheid bleven en dat zij vermeenden dat het onmogelijk was beter te doen dan de gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, waarvan de gebouwen verdienden als model genomen te worden door al de Steden welke wensch en de werkerswoning te verbeteren.
Deze vleiende waardeering is voor den beheerraad onzer Maatschappij de benijdenswaardigste aanmoediging.
Onder financieel oogpunt kan ons werk zich samenvatten als volgt : het oorspronkelijk kapitaal van 500,000 fr. en de aanvullingsinteresten der gelden in de bank neergelegd hebben gediend om de 3 blokken werkerswoningen van de Wilgestraat, de Zebrastraat en de Violierstraat, te bouwen, welke na zekere uitdelgingen in het bilan van 1912 gebracht zijn voor eene wederzijdsche waarde van 71,384,30 fr., 327,402,17 fr. en 126,314,15 fr., en ook om de gronden aan te koopen op de welke nu de gebouwen van de Roygemlaan, Boomstraat en Zonnebloemstraat opgericht worden, gronden aangekocht en in hetzelfde bilan gebracht wederzijdsch voor 8,445,50 fr., 4,070,49 fr., en 4,509 fr., wat al te samen eene vastegoederenwaarde, vrij en onbezwaard van alle lasten, van 542,125,61 fr. daarstelt.
Het nieuw kapitaal van 500,000 fr. is op dit oogenblik slechts voor 172,207 fr. verpand, bedrag van de loopende onderneming van de heeren Van Herrewege en De Wilde.
De verschillige werkerswoningen hierboven beschreven en in 1912 afgewerkt ten bedrage van 143 hebben in 1912 als gezamenlijke huurwaarde 21,111,41 fr. opgebracht, eenen intrest vaststellende van 4 %. op het aangegane kapitaal.
Dit inkomen, na aftrok der noodige sommen tot voeding van het reservefonds en het voorzieningfonds, en na aftrekking der bestuurkosten en van de uitdelging van zekere kosten van eerste inrichting, heeft toegelaten aan de reeds gestorte kapitalen voor 1912 eenen intrest te betalen van 3%.
De intrest der voorgaande jaren was : in 1906, 3 % in 1907, 1908, 1909 en 1910 insgelijks 3% en in 1911, 3 1/2 deze laatste intrest het toppunt zijnde door de standregels der maatschappij toegelaten.
De reserve-en voorzienig-fondsen bereiken op heden, samen met de sommen gestort na de goedkeuring van den bilan van 1912, de zeer voldoende som van 30,478,57 fr.
Om dit historisch overzicht te eindigen vermelden wij dat een feit van hooge belangrijkheid voor de toekomst onzer maatschappij zich komt voor te doen : de naamlooze katoen fabriek "la nouvelle Orléans" stelt kosteloos ter beschikking der gentsche Maatschappij der Werkerswoningen eenen uitgestrekten grond dicht bij hare werkhuizen, om er eenen nieuwen groep werkerswoningen op te bouwen, met voorwaarde dat ten alle tijde de voorkeur voor het verhuren dezer woningen aan de werklieden van "la nouvelle Orléans" zal behouden worden.
Ziedaar, terzelfder tijd als eene vleiende getuigenis van de bevoegdheid onzer Maatschappij in het bouwen van werkerswoningen, een navolgenswaardig voorbeeld gegeven aan de grootnijverheid door een der voornaamste firmas onzer Stad ; deze toont aldus hoezeer zij de pogingen waardeert sedert eenige jaren aangewend tot verbetering van de werkerswoning, verbetering welke, door de werkman van de herberg te verwijderen, en door hem te huis te houden, krachtig moet bijdragen tot zijne natuurlijke, zedelijke en verstandelijke ontwikkeling.
De Voorzitter der gentsche Maatschappij der Werkerswoningen, MARC BAERTSOEN.
Gent, 15 Mei 1913.
|

|